ADR Digitaal

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.4
Klasse 4.1, 4.2 & 4.3

 

2.2.41

Klasse 4.1 Brandbare vaste stoffen, zelfontledende stoffen, polymeriserende stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand

2.2.41.1

Criteria

2.2.41.1.1

De titel van klasse 4.1 omvat

  • brandbare stoffen en voorwerpen,
  • ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand, die vaste stoffen zijn overeenkomstig onderdeel a) van de definitie “vaste stof” in 1.2.1,
  • zelfontledende vaste stoffen of vloeistoffen en polymeriserende stoffen.
    In de klasse 4.1 zijn ingedeeld:
  • vaste stoffen en voorwerpen die gemakkelijk brandbaar zijn (zie 2.2.41.1.3 t/m 2.2.41.1.8);
  • zelfontledende vaste stoffen of vloeistoffen (zie 2.2.41.1.9 t/m 2.2.41.1.17);
  • vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand (zie 2.2.41.1.18);
  • stoffen, verwant aan zelfontledende stoffen (zie 2.2.41.1.19);
  • polymeriserende stoffen (zie 2.2.41.1.20 en 2.2.41.1.21).

 

2.2.41.1.2

De stoffen en voorwerpen van klasse 4.1 zijn als volgt onderverdeeld:

  • F Brandbare vaste stoffen, zonder bijkomend gevaar:
    • F1 Organisch
    • F2 Organisch, gesmolten
    • F3 Anorganisch
    • F4 Voorwerpen
  • FO Brandbare vaste stoffen, oxiderend
  • FT Brandbare vaste stoffen, giftig:
    • FT1 Organisch, giftig
    • FT2 Anorganisch, giftig
  • FC Brandbare vaste stoffen, bijtend:
    • FC1 Organisch, bijtend
    • FC2 Anorganisch, bijtend
  • D Vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zonder bijkomend gevaar
  • DT Vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand, giftig
  • SR Zelfontledende stoffen:
    • SR1 waarvoor temperatuurbeheersing niet is vereist
    • SR2 waarvoor temperatuurbeheersing is vereist
  • PM
    • PM1 waarvoor temperatuurbeheersing niet is vereist
    • PM2 waarvoor temperatuurbeheersing is vereist

 

2.2.41.1.3

Brandbare vaste stoffen
Definities en eigenschapen

Brandbare vaste stoffen zijn gemakkelijk brandbare vaste stoffen en vaste stoffen, die door wrijving kunnen ontbranden en brand kunnen veroorzaken.

Gemakkelijk brandbare vaste stoffen zijn poedervormige, korrelige of pasteuze stoffen, die gevaarlijk zijn, omdat zij gemakkelijk worden ontstoken door kortstondig contact met de ontstekingsbron, zoals een brandend lucifer en omdat de vlammen zich snel verspreiden.

Het is mogelijk, dat het gevaar niet alleen veroorzaakt wordt door de brand, maar ook door giftige verbrandingsproducten.

Metaalpoeders zijn bijzonder gevaarlijk, omdat het moeilijk is het vuur te doven, aangezien normale blusmiddelen zoals koolzuur of water het gevaar kunnen verhogen.

 

2.2.41.1.4

Classificatie
De in klasse 4.1, brandbare vaste stoffen, ingedeelde stoffen en voorwerpen zijn genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.2. De indeling van organische stoffen en voorwerpen, die niet met name zijn genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.2 in de juiste positie van subsectie 2.2.41.3 overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2.1 kan geschieden op grond van ervaring of op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 33.2.1.De indeling van anorganische stoffen, die niet met name zijn genoemd moet geschieden op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 33.2.1; hierbij moet ook rekening worden gehouden met ervaringen, indien deze tot een strengere indeling leiden.

 

2.2.41.1.5

Indien niet met name genoemde stoffen en voorwerpen onder een van de posities in 2.2.41.3 worden ingedeeld op grond van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 33.2.1, zijn de volgende criteria van toepassing:

  1. poedervormige, korrelige of pasteuze stoffen, met uitzondering van metaalpoeders of poeders van metaallegeringen moeten worden ingedeeld als gemakkelijk brandbare stoffen van klasse 4.1, indien zij door kortstondig contact met een ontstekingsbron (bijvoorbeeld een brandende lucifer) gemakkelijk kunnen worden ontstoken, of indien bij ontsteking de vlam zich snel uitbreidt, de brandduur voor een meetafstand van 100 mm korter is dan 45 seconden of de voortplantingssnelheid van de verbranding hoger is dan 2,2 mm/s.
  2. Metaalpoeders of poeders van metaallegeringen moeten in klasse 4.1 worden ingedeeld, indien zij door contact met een vlam kunnen worden ontstoken en indien de reactie zich binnen 10 minuten over de gehele lengte van het monster uitbreidt.

Vaste stoffen die vlam kunnen vatten als gevolg van wrijving moeten worden ingedeeld in klasse 4.1 naar analogie met bestaande posities (bijv. lucifers) of in overeenstemming met een geëigende bijzondere bepaling.

 

2.2.41.1.6

Op grond van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.2.1 en de criteria van 2.2.41.1.4 en 2.2.41.1.5, kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde stof zodanig is, dat deze stof niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse.

 

2.2.41.1.7

Indien stoffen van klasse 4.1 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën dan die waartoe de stoffen behoren die met name zijn genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.2, moeten deze mengsels worden ingedeeld onder de posities waartoe zij behoren op grond van de werkelijke gevaarseigenschappen.

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) zie ook 2.1.3.

 

2.2.41.1.8

Indeling in verpakkingsgroepen.
Brandbare vaste stoffen, ingedeeld onder de verschillende posities van tabel A van hoofdstuk 3.2 moeten in verpakkingsgroep II of III worden ingedeeld op grond van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 33.2.1, overeenkomstig de volgende criteria:

  1. Gemakkelijk brandbare vaste stoffen, die bij de beproeving een brandduur hebben, korter dan 45 seconden voor een meetafstand van 100 mm, moeten worden ingedeeld in
    • verpakkingsgroep II: indien de vlam doordringt in de bevochtigde zone
    • verpakkingsgroep III: indien de vlam door de bevochtigde zone binnen 4 minuten tot stilstand wordt gebracht.
  2. Metaalpoeders en poeders van metaallegeringen moeten worden ingedeeld in:
    • verpakkingsgroep II: indien de reactie zich bij de beproeving binnen vijf minuten of minder over de gehele lengte van het monster voortplant;
    • verpakkingsgroep III: indien de reactie zich bij de beproeving in meer dan vijf minuten over de gehele lengte van het monster voortplant.

In het geval van vaste stoffen die vlam kunnen vatten door wrijving, moet de verpakkingsgroep worden toegekend naar analogie van bestaande posities of in overeenstemming met een bijzondere bepaling.

 

2.2.41.1.9

Zelfontledende stoffen
Definities

Zelfontledende stoffen, in de zin van het ADR, zijn thermisch instabiele stoffen, die een sterk exotherme ontleding kunnen ondergaan, zonder dat daarbij zuurstof (lucht) is betrokken. Stoffen worden niet beschouwd als zelfontledende stoffen van klasse 4.1, indien:

  1. ze ontplofbare stoffen volgens de criteria van klasse 1 zijn,
  2. ze oxiderende stoffen zijn volgens de indelingsprocedure voor klasse 5.1 (zie 2.2.51.1), met uitzondering van mengsels van oxiderende stoffen, die ten minste 5% brandbare organische stoffen bevatten en die moeten worden onderworpen aan de classificatieprocedure, omschreven in Opmerking 2,
  3. ze organische peroxiden volgens de criteria van klasse 5.2 zijn (zie 2.2.52.1),
  4. hun ontledingswarmte lager is dan 300 J/g, of
  5. hun temperatuur van zichzelf versnellende ontleding (SADT) (zie Opmerking 3 hieronder) hoger is dan 75 C voor een collo van 50 kg.

Opmerking 1: De ontledingswarmte kan worden bepaald met behulp van een willekeurige internationaal erkende methode, bijv. differentiële scanning calorimetrie en adiabatische calorimetrie.

Opmerking 2: Mengsels van oxiderende stoffen, die voldoen aan de criteria van klasse 5.1, die ten minste 5% brandbare organische stoffen bevatten en die niet voldoen aan de criteria genoemd in paragraaf a), c), d) of e) hierboven, moeten worden onderworpen aan de classificatieprocedure voor zelfontledende stoffen.

Een mengsel, dat de eigenschappen vertoont van een zelfontledende stof, type B t/m F, moet worden geclassificeerd als een zelfontledende stof van klasse 4.1.

Een mengsel, dat de eigenschappen vertoont van een zelfontledende stof van type G, moet overeenkomstig het principe, vermeld in 20.4.3 g) van deel II van het Handboek beproevingen en criteria, voor classificatiedoeleinden worden beschouwd als een stof van klasse 5.1 (zie 2.2.51.1).

Opmerking 3: De SADT is de laagste temperatuur, waarbij een zichzelf versnellende ontleding kan optreden van een stof, in de verpakking zoals gebruikt tijdens het vervoer. De voorwaarden, noodzakelijk voor de bepaling van deze temperatuur, zijn vermeld in het Handboek beproevingen en criteria, deel II, hoofdstuk 20 en sectie 28.4.

Opmerking 4: Alle stoffen die de eigenschappen vertonen van een zelfontledende stof moeten als zodanig worden geclassificeerd, zelfs indien deze stoffen aanleiding geven tot een positief beproevingsresultaat voor de indeling in klasse 4.2 overeenkomstig 2.2.42.1.5.

 

2.2.41.1.10

Eigenschappen
De ontleding van zelfontledende stoffen kan veroorzaakt worden door warmte, contact met katalytisch werkende verontreinigingen (bijv. zuren, verbindingen van zware metalen, basen), wrijving of stoot.

De ontledingssnelheid stijgt met de temperatuur en hangt af van de stof. De ontleding kan, in het bijzonder wanneer geen ontsteking optreedt, leiden tot het vrijkomen van giftige gassen of dampen. Bij bepaalde zelfontledende stoffen moet de temperatuur worden beheerst. Sommige zelfontledende stoffen kunnen explosief ontleden, vooral bij opsluiting. Deze eigenschap kan worden afgezwakt door toevoeging van verdunningsmiddelen of door gebruik van geschikte verpakkingen. Sommige zelfontledende stoffen branden heftig.

Zelfontledende stoffen zijn bijvoorbeeld bepaalde verbindingen van de hierna aangegeven typen:

  • alifatische azoverbindingen (-C-N=N-C-);
  • organische aziden (-C-N3);
  • diazoniumzouten (-CN2+Z-);
  • N-nitrosoverbindingen (-N-N=O); en
  • aromatische sulfohydraziden (-SO2-NH-NH2).

Deze opsomming is niet uitputtend en stoffen met andere reactieve groepen en bepaalde mengsels van stoffen kunnen soms soortgelijke eigenschappen bezitten.

 

2.2.41.1.11

Classificatie
Zelfontledende stoffen worden ingedeeld in zeven typen, afhankelijk van de mate van gevaar. De typen van zelfontledende stoffen variëren van type A, dat niet ten vervoer is toegelaten in de verpakking waarin het is beproefd, tot type G, dat niet is onderworpen aan de voorschriften die van toepassing zijn op de zelfontledende stoffen van klasse 4.1. De classificatie van de zelfontledende stoffen van de typen B t/m F is direct afhankelijk van de grootste toegestane hoeveelheid per verpakking. De principes van toepassing voor de indeling en de indelingsprocedures, beproevingsmethoden en criteria, alsmede een voorbeeld van een geschikt beproevingsrapport zijn opgenomen in deel II van het Handboek beproevingen en criteria.

 

2.2.41.1.12

Reeds geclassificeerde, zelfontledende stoffen, die reeds ten vervoer in verpakkingen zijn toegelaten, zijn in 2.2.41.4 genoemd, die welke reeds ten vervoer in IBC’s zijn toegelaten, zijn in 4.1.4.2, verpakkingsinstructie IBC 520 genoemd, en die welke reeds ten vervoer in tanks overeenkomstig hoofdstuk 4.2 zijn toegelaten, zijn in 4.2.5.2, transporttank-instructie T23 genoemd. Aan iedere genoemde toegelaten stof is de juiste algemene positie uit hoofdstuk 3.2, tabel A (UN-nummers 3221 tot en met 3240) toegewezen en zijn de van toepassing zijn de bijkomende gevaren en opmerkingen met relevante informatie voor het vervoer aangegeven.
Door de verzamelaanduidingen wordt aangegeven:

  • het type van zelfontledende stof (B t/m F), zie 2.2.41.1.11 hierboven;
  • de fysische toestand (vloeibaar/vast);
  • de temperatuurbeheersing (indien vereist), zie 2.2.41.1.17 hieronder.

De classificatie van zelfontledende stoffen genoemd in 2.2.41.4 is gebaseerd op de technisch zuivere stof, behalve in de gevallen waar een concentratie lager dan 100% is aangegeven.

 

2.2.41.1.13

De classificatie van zelfontledende stoffen, die in 2.2.41.4, in 4.1.4.2, verpakkingsinstructie IBC 520 of in 4.2.5.2, transport-instructie T23 niet zijn genoemd, evenals de indeling daarvan in een verzamelaanduiding, moet worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst op grond van een beproevingsrapport. De goedkeuringsverklaring moet de classificatie en de relevante vervoersvoorwaarden omvatten. Indien het land van herkomst geen Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR is, moeten de classificatie en de vervoersvoorwaarden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR, die bij de zending betrokken is.

 

2.2.41.1.14

Aan bepaalde zelfontledende stoffen kunnen activatoren, zoals zinkverbindingen, worden toegevoegd teneinde de reactiviteit daarvan te veranderen. Afhankelijk van het type en de concentratie van de activator, kan dit leiden tot een afname van de thermische stabiliteit of tot een verandering van de explosieve eigenschappen. Indien één van deze twee eigenschappen wordt veranderd, moet de nieuwe formulering overeenkomstig de classificatieprocedure worden onderzocht.

 

2.2.41.1.15

Monsters van niet in 2.2.41.4 genoemde zelfontledende stoffen of formuleringen van zelfontledende stoffen, waarvoor niet de volledige gegevens over de beproevingen beschikbaar zijn en die vervoerd moeten worden voor aanvullende beproevingen of beoordeling, moeten worden ingedeeld onder een van de verzamelaanduidingen, van toepassing op zelfontledende stoffen van type C, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • volgens de beschikbare gegevens is het monster niet gevaarlijker dan een zelfontledende stof van type B;
  • het monster is verpakt volgens verpakkingsmethode OP2 en de hoeveelheid per transporteenheid bedraagt niet meer dan 10 kg.
  • de beschikbare gegevens tonen aan dat de controletemperatuur, indien noodzakelijk, zodanig laag is dat gevaarlijke ontleding wordt voorkomen en zodanig hoog is dat geen gevaarlijke fasescheiding optreedt.

 

2.2.41.1.16

Desensibilisering
Teneinde de veiligheid tijdens het vervoer te waarborgen, worden zelfontledende stoffen in veel gevallen gedesensibiliseerd met behulp van een verdunningsmiddel. Indien een percentage van een stof is vastgesteld, betreft dit het massapercentage van de stof, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal. Indien een verdunningsmiddel wordt gebruikt, moet de zelfontledende stof worden beproefd in aanwezigheid van het verdunningsmiddel in de concentratie en de vorm gebruikt voor het vervoer.

Verdunningsmiddelen die kunnen leiden tot een verhoging van de concentratie van de zelfontledende stof tot een waarde die gevaarlijk is in geval van lekkage uit een verpakking, mogen niet worden gebruikt. De gebruikte verdunningsmiddelen moeten inert zijn ten opzichte van de zelfontledende stof.

In dit verband gelden vaste of vloeibare verdunningsmiddelen als inert, indien zij geen negatieve invloed hebben op de thermische stabiliteit en op het type gevaar van de zelfontledende stof. Vloeibare verdunningsmiddelen in formuleringen waarvoor temperatuurbeheersing vereist is (zie 2.2.41.1.14) moeten een kookpunt hebben van ten minste 60 OC en een vlampunt van ten minste 5 OC. Het kookpunt van de vloeistof moet ten minste 50 OC hoger zijn dan de controletemperatuur van de zelfontledende stof.

 

2.2.41.1.17

Voorschriften voor temperatuurbeheersing
Zelfontledende stoffen waarvan de SADT niet hoger is dan 55 °C moeten worden onderworpen aan temperatuurbeheersing tijdens het vervoer. Zie 7.1.7.

 

2.2.41.1.18

 Vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand
Vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zijn stoffen die zijn bevochtigd met water of met alcoholen of die zijn verdund met andere stoffen teneinde hun explosieve eigenschappen te onderdrukken.
Dergelijke posities in tabel A in hoofdstuk 3.2 zijn:

UN-nummers

  • 1310,
  • 1320,
  • 1321,
  • 1322,
  • 1336,
  • 1337,
  • 1344,
  • 1347,
  • 1348,
  • 1349,
  • 1354,
  • 1355,
  • 1356,
  • 1357,
  • 1517,
  • 1571,
  • 2555,
  • 2556,
  • 2557,
  • 2852,
  • 2907,
  • 3317,
  • 3319,
  • 3344,
  • 3364,
  • 3365,
  • 3366,
  • 3367,
  • 3368,
  • 3369,
  • 3370,
  • 3376,
  • 3380
  • 3474.

 

2.2.41.1.19

Stoffen verwant aan zelfontledende stoffen

Stoffen die

  1. op voorlopige basis zijn ingedeeld in klasse 1 in overeenstemming met de resultaten van de beproevingsseries 1 en 2, maar die zijn vrijgesteld van klasse 1 in overeenstemming met de resultaten van de beproevingsserie 6;
  2. geen zelfontledende stoffen van klasse 4.1 zijn; en
  3. geen stoffen zijn van de klasse 5.1 en 5.2.
    worden ook ingedeeld in klasse 4.1. De UN-nummers 2956, 3241, 3242 en 3251 zijn zulke posities.

 

2.2.41.1.20

Polymeriserende stoffen
Definities en eigenschappen

Polymeriserende stoffen zijn stoffen die zonder stabilisatie een sterk exotherme reactie kunnen ondergaan die leidt tot de vorming van grotere moleculen of de vorming van polymeren onder normale vervoersomstandigheden. Dergelijke stoffen worden als polymeriserende stoffen van klasse 4.1 beschouwd indien:

  1. hun SAPT (self-accelerating polymerization temperature) 75 °C of lager is onder de omstandigheden (met of zonder chemische stabilisatie bij het vervoer) en in het collo, de IBC of de tank waarin de stof of het mengsel wordt vervoerd;
  2. ze een reactiewarmte vertonen van meer dan 300 J/g; en
  3. ze niet aan alle andere criteria voor opname in de klassen 1 tot en met 8 voldoen.

Een mengsel dat voldoet aan de criteria van een polymeriserende stof moet worden ingedeeld als polymeriserende stof van klasse 4.1.

 

2.2.41.1.21

Maatregelen voor temperatuurbeheersing
Polymeriserende stoffen zijn onderworpen aan temperatuurbeheersing tijdens het vervoer indien hun SAPT:

  1. 50 °C of lager is in het collo of de IBC waarin de stof wordt vervoerd, ingeval de stoffen ten vervoer in een collo of IBC worden aangeboden; of
  2. 45 °C of lager is in de tank waarin de stof wordt vervoerd, ingeval de stoffen ten vervoer in een tank worden aangeboden. Zie 7.1.7.

Opmerking: Stoffen die voldoen aan de criteria voor polymeriserende stoffen en ook voor opname in de klassen 1 tot en met 8, zijn onderworpen aan de eisen van bijzondere bepaling 386 in hoofdstuk 3.3.

 

2.2.41.2

Niet ten vervoer toegelaten stoffen

2.2.41.2.1

De chemisch instabiele stoffen van klasse 4.1 zijn niet ten vervoer toegelaten, tenzij de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om een gevaarlijke ontleding of polymerisatie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet er in het bijzonder zorg voor worden gedragen, dat de houders en tanks geen stoffen bevatten, die deze reacties kunnen bevorderen.

 

2.2.41.2.2

Brandbare vaste stoffen, oxiderend, die zijn ingedeeld onder UN-nummer 3097, zijn niet ten vervoer toegelaten tenzij zij voldoen aan de voorschriften van klasse 1 (zie ook subsectie 2.1.3.7).

 

2.2.41.2.3

De volgende stoffen zijn niet ten vervoer toegelaten:

  • de zelfontledende stoffen van type A [zie Handboek beproevingen en criteria, deel II, subsectie 20.4.2 a)];
  • fosforsulfiden die niet vrij zijn van witte of gele fosfor;
  • andere vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand dan die welke zijn genoemd in hoofdstuk 3.2, tabel A;
  • anorganische brandbare stoffen in gesmolten toestand met uitzondering van UN 2448 ZWAVEL, GESMOLTEN;

 

2.2.41.3

Lijst van verzamelaanduidingen

2.2.41.3

 

  1. Metalen en metaallegeringen in poedervorm of in een andere brandbare vorm, die voor zelfontbranding vatbaar zijn, zijn stoffen van klasse 4.2.
  2. Metalen en metaallegeringen in poedervorm of in een andere brandbare vorm, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3.
  3. Metaalhydriden, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3. Aluminiumboorhydride of aluminiumboorhydride in apparaten zijn stoffen van klasse 4.2, UN-nummer 2870.

 

2.2.41.4

Lijst van reeds ingedeelde zelfontledende stoffen in verpakkingen

De in de kolom “Verpakkingsmethode” aangegeven codes “OP1” tot en met “OP8” verwijzen naar de verpakkingsmethoden in 4.1.4.1, verpakkingsinstructie P 520 (zie ook 4.1.7.1). De te vervoeren zelfontledende stoffen moeten voldoen aan de aangegeven classificatie en de aangegeven (van de SADT afgeleide) controle- en kritieke temperaturen.

Voor stoffen, die in IBC’s zijn toegelaten, zie 4.1.4.2, verpakkingsinstructie IBC 520, en voor stoffen die in tanks overeenkomstig hoofdstuk 4.2 zijn toegelaten, zie 4.2.5.2.6, transporttank-instructie T23. De formuleringen die zijn vermeld in verpakkingsinstructie IBC 520 van 4.1.4.2 en in transporttank-instructie T 23 van 4.2.5.2.6 mogen ook worden vervoerd indien verpakt volgens verpakkingsmethode OP8 van verpakkingsinstructie P 520 in 4.1.4.1, met dezelfde controle- en kritieke temperaturen, voor zover van toepassing.

Opmerking: De in deze tabel gegeven classificatie is gebaseerd op de technisch zuivere stof (uitgezonderd daar waar een concentratie van minder dan 100 % gespecificeerd wordt). Voor andere concentraties kan de stof aansluitend op de procedures in deel II van het Handboek beproevingen en criteria en in 2.2.41.1.17 anders worden ingedeeld.

 

ZELFONTLEDENDE STOF

Conc. (%)

Verp. meth. Contr- temp (°C) Krit. temp (°C)

UN-NR.
Alg. pos.

Op-merk.
ACETON-PYROGALLOL-COPOLYMEER- 2-DIAZO-1-NAFTOL-5-SULFONAAT 100 OP8     3228  
AZODICARBONAMIDE FORMULERING TYPE B, MET TEMPERATUURBEHEER-SING < 100 OP5     3232 (1) (2)
AZODICARBONAMIDE FORMULERING TYPE C < 100 OP6     3224 (3)
AZODICARBONAMIDE FORMULERING TYPE C, MET TEMPERATUURBEHEERSING < 100 OP6     3234 (4)
AZODICARBONAMIDE FORMULERING TYPE D < 100 OP7     3226 (5)
AZODICARBONAMIDE FORMULERING TYPE D, MET TEMPERATUURBEHEERSING < 100 OP7     3236 (6)
2,2'-AZODI(2,4-DIMETHYL-4-METHOXY- VALERONITRIL) 100 OP7 -5 +5 3236  
2,2' -AZODI(2,4-DIMETHYL-VALERONITRIL) 100 OP7 +10 +15 3236  
2,2' AZODI(ETHYL-2-METHYL- PROPIONAAT) 100 OP7 +20 +25 3235  
1,1-AZODI(HEXAHYDROBENZONITRIL) 100 OP7     3226  
2,2' -AZODI(ISOBUTYRONITRIL) 100 OP6 +40 +45 3234  
2,2' -AZODI(ISOBUTYRONITRIL) als pasta op
waterbasis
<=50 OP6     3224  
2,2' -AZODI(2METHYLBUTYRONITRIL) 100 OP7 +35 +40 3236  
BENZEEN-1,3-DISULFONYLHYDRAZIDE, als
pasta
52 OP7     3226  
BENZEENSULFONYLHYDRAZIDE 100 OP7     3226  
4-(BENZYL(ETHYL)AMINO)-3-ETHOXY- BENZEENDIAZONIUM-ZINKCHLORIDE 100 OP7     3226  
4-(BENZYL(METHYL)AMINO)-3-ETHOXY- BENZEENDIAZONIUM-ZINKCHLORIDE 100 OP7 +40 +45 3236  
3-CHLOOR-4-DIETHYLAMINOBENZEEN- DIAZONIUM-ZINKCHLORIDE 100 OP7     3226  
2-DIAZO-1-NAFTOL-4- SULFONYLCHLORIDE 100 OP5     3222 (2)
2-DIAZO-1-NAFTOL-5-SULFONYLCHLORIDE 100 OP5     3222 (2)
2-DIAZO-1-NAFTOL-SULFONZURE ESTER, MENGSEL, TYPE D < 100 OP7     3226 (9)
2,5-DIBUTOXY-4-(4-MORFOLINYL)- BENZEENDIAZONIUM, TETRACHLOORZINKAAT (2:1) 100 OP8     3228  
2,5-DIETHOXY-4-(FENYLSULFONYL)- BENZEENDIAZONIUM-ZINKCHLORIDE 67 OP7 +40 +45 3236  
2,5-DIETHOXY-4-MORFOLINO- BENZEENDIAZONIUM-ZINKCHLORIDE 67-100 OP7 +35 +40 3236  
2,5-DIETHOXY-4-MORFOLINOBENZEEN- DIAZONIUM-ZINKCHLORIDE 66 OP7 +40 +45 3236  
2,5-DIETHOXY-4-MORFOLINO-BENZEEN- DIAZONIUM-TETRA-FLUOROBORAAT 100 OP7 +30 +35 3236  
2,5-DIETHOXY-4-(4-MORFOLINYL)- BENZEENDIAZONIUM-SULFAAT 100 OP7     3226  
DIETHYLEENGLYCOL-BIS- (ALLYLCARBONAAT) + DI-ISOPROPYL- PEROXYDICARBONAAT >= 88 + <=
12
OP8 -10 0 3237  
DIFENYLOXIDE-4,4'-DISULFONYL- HYDRAZIDE 100 OP7     3226  
2,5-DIMETHOXY-4-(4-METHYLFENYL- SULFONYL)BENZEEN-DIAZONIUM- ZINKCHLORIDE 79 OP7 +40 +45 3236  
4-(DIMETHYLAMINO)-BENZEENDIAZONIUM- TRICHLOORZINKAAT (-1) 100 OP8     3228  
4-DIMETHYLAMINO-6-(2-DIMETHYL- AMINOETHOXY) TOLUEEN-
2-DIAZONIUM -ZINKCHLORIDE
100 OP7 +40 +45 3236  
N,N'-DINITROSO-N,N' -DIMETHYL-
TEREFTAALAMIDE, als pasta
72 OP6     3224  
N,N'-DINITROSOPENTAMETHYLEEN- TETRAMINE 82 OP6     3224 (7)
4-DIPROPYLAMINOBENZEEN DIAZONIUM- ZINKCHLORIDE 100 OP7     3226  
2-(N,N-ETHOXYCARBONYLFENYL-AMINO)-3- METHOXY-4-(N-METHYL-N-CYCLOHEXYLAMINO)- BENZEENDIAZONIUM-ZINKCHLORIDE 63-92 OP7 +40 +45 3236  
2-(N,N-ETHOXYCARBONYL-FENYL- AMINO)-3-METHOXY-4-(N-METHYL-N- CYCLOHEXYLAMINO)- BENZEENDI- AZONIUM-ZINKCHLORIDE 62 OP7 +35 +40 3236  
N-FORMYL-2-(NITROMETHYLEEN)- 1,3-PERHYDROTHIAZINE 100 OP7 +45 +50 3236  
THIOFOSFORZUUR, O-[(CYAANFENYL- METHYLEEN)AZANYL]-O,O-DIETHYLESTER 82-91 (Z-
isomeer)
OP8     3227 (10)
2-(2-HYDROXYETHOXY)-1- (PYRROLIDIN-1- YL)BENZEEN-4-DIAZONIUM-ZINKCHLORIDE 100 OP7 +45 +50 3236  
3-(2-HYDROXYETHOXY)-4- (PYRROLIDIN-1- YL)BENZEENDIAZONIUM-ZINKCHLORIDE 100 OP7 +40 +45 3236  
2-(N,N-METHYLAMINOETHYLCARBONYL)-4- (3,4-DIMETHYLFENYLSULFONYL)BENZEEN- DIAZONIUMWATERSTOFSULFAAT 96 OP7 +45 +50 3236  
4-METHYLBENZEENSULFONYL- HYDRAZIDE 100 OP7     3226  
3-METHYL-4-(PYRROLIDIN-1-YL) BENZEENDIAZONIUM TETRAFLUOR- BORAAT 95 OP6 +45 +50 3234  
4-NITROSOFENOL 100 OP7 +35 +40 3236  
NATRIUM –2-DIAZO-1-NAFTOL- 4- SULFONAAT 100 OP7     3226  
NATRIUM-2-DIAZO-1-NAFTOL- 5-SULFONAAT 100 OP7     3226  
TETRAMINE PALLADIUM (II) NITRAAT 100 OP6 +30 +35 3234  
ZELFONTLEDENDE VLOEISTOF, MONSTER   OP2     3223 (8)
ZELFONTLEDENDE VLOEISTOF, MONSTER, MET TEMPERATUUR- BEHEERSING   OP2     3233 (8)
ZELFONTLEDENDE VASTE STOF, MONSTER   OP2     3224 (8)
ZELFONTLEDENDE VASTE STOF, MONSTER MET TEMPERATUUR- BEHEERSING   OP2     3234 (8)

Opmerkingen:

  • (1) Azodicarbonamide-formuleringen die voldoen aan de criteria van subsectie 20.4.2 b) van het Handboek beproevingen en criteria. De controle- en kritieke temperaturen moeten worden vastgesteld overeenkomstig de procedure in 7.1.7.3.1 t/m 7.1.7.3.6.
  • (2) Bijkomend gevaarsetiket "ONTPLOFBAAR" vereist (model nr. 1, zie 5.2.2.2.2).
  • (3) Azodicarbonamide-formuleringen die voldoen aan de criteria van subsectie. 20.4.2 c) van het Handboek beproevingen en criteria.
  • (4) Azodicarbonamide-formuleringen die voldoen aan de criteria van subsectie 20.4.2 c) van het Handboek beproevingen en criteria. De controle- en kritieke temperaturen moeten worden vastgesteld overeenkomstig de procedure in 7.1.7.3.1 t/m 7.1.7.3.6.
  • (5) Azodicarbonamide-formuleringen die voldoen aan de criteria van subsectie 20.4.2 d) van het Handboek beproevingen en criteria.
  • (6) Azodicarbonamide-formuleringen, die voldoen aan de criteria van subsectie 20.4.2 d) van het Handboek beproevingen en criteria. De controle- en kritieke temperaturen moeten worden vastgesteld overeenkomstig de procedure in 7.1.7.3.1 t/m 7.1.7.3.6.
  • (7) Met een geschikt verdunningsmiddel met een kookpunt niet lager dan 150 C.
  • (8) Zie 2.2.41.1.15.
  • (9) Deze positie is van toepassing op mengsels van 2-diazo-1-naftol-4-sulfonzure ester en 2-diazo-1-naftol-5-sulfonzure ester die voldoen aan de criteria van paragraaf 20.4.2 d) van het Handboek beproevingen en criteria.
  • (10) Deze positie is van toepassing op het technisch mengsel in n-butanol binnen de vastgestelde concentratiegrenzen van het Z-isomeer.

 

2.2.42

Klasse 4.2 Voor zelfontbranding vatbare stoffen

2.2.42.1

Criteria

2.2.42.1.1

De titel van klasse 4.2 omvat:

  • pyrofore stoffen; dit zijn stoffen, met inbegrip van mengsels en oplossingen (vloeibaar of vast), die in contact met lucht, zelfs in kleine hoeveelheden binnen 5 minuten ontbranden. Dit zijn de stoffen van klasse 4.2 die het sterkst voor zelfontbranding vatbaar zijn, en
  • voor zelfverhitting vatbare stoffen en voorwerpen; dit zijn stoffen en voorwerpen met inbegrip van mengsels en oplossingen, die in contact met lucht zonder toevoer van energie voor zelfverhitting vatbaar zijn. Deze stoffen kunnen slechts in grote hoeveelheden (verscheidene kilogrammen) en na lange tijdsduur (uren of dagen) ontbranden.

 

2.2.42.1.2

De stoffen en voorwerpen van klasse 4.2 zijn als volgt onderverdeeld:

  • S Voor zelfontbranding vatbare stoffen, zonder bijkomend gevaar
    • S1 organische stoffen, vloeibaar
    • S2 organische stoffen, vast
    • S3 anorganische stoffen, vloeibaar
    • S4 anorganische stoffen, vast
    • S5 metaalorganisch
    • S6 voorwerpen
  • SW Voor zelfontbranding vatbare stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen
  • SO Voor zelfontbranding vatbare stoffen, oxiderend
  • ST Voor zelfontbranding vatbare stoffen, giftig
    • ST1 organische stoffen, giftig, vloeibaar
    • ST2 organische stoffen, giftig, vast
    • ST3 anorganische stoffen, giftig, vloeibaar
    • ST4 anorganische stoffen, giftig, vast
  • SC Voor zelfontbranding vatbare stoffen, bijtend
    • SC1 organische stoffen, bijtend, vloeibaar
    • SC2 organische stoffen, bijtend, vast
    • SC3 anorganische stoffen, bijtend, vloeibaar
    • SC4 anorganische stoffen, bijtend, vast

 

2.2.42.1.3

Eigenschappen

Zelfverhitting van een stof is een proces waarbij een geleidelijke reactie van die stof met zuurstof (in de lucht) leidt tot warmteontwikkeling. Indien de snelheid van de warmteontwikkeling de snelheid van het warmteverlies overtreft, dan zal de temperatuur van de stof stijgen hetgeen, na de inductietijd, kan leiden tot zelfontsteking en verbranding.

 

2.2.42.1.4

Classificatie

De in klasse 4.2 ingedeelde stoffen en voorwerpen zijn genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.2. De indeling van stoffen en voorwerpen, die niet met name zijn genoemd, in tabel A van hoofdstuk 3.2 in de juiste specifieke n.e.g.-positie van subsectie 2.2.42.3 overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2.1 kan geschieden op grond van ervaring of op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3.

De indeling in algemene n.e.g.-posities van klasse 4.2 moet geschieden op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3; hierbij moet ook rekening worden gehouden met ervaring, indien deze tot een strengere indeling leidt.

 

2.2.42.1.5

Indien niet met name genoemde stoffen en voorwerpen onder één van de posities in 2.2.42.3 worden ingedeeld op grond van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3, zijn de volgende criteria van toepassing:

  1. vaste stoffen die voor zelfontbranding vatbaar (pyrofoor) zijn, moeten in klasse 4.2 worden ingedeeld, indien zij bij een val van 1 meter hoogte of binnen 5 minuten ontbranden;
  2. vloeistoffen die voor zelfontbranding vatbaar (pyrofoor) zijn, moeten in klasse 4.2 worden ingedeeld:
    1. indien zij, gegoten op een inert dragermateriaal, binnen 5 minuten ontbranden, of
    2. bij een negatief beproevingsresultaat volgens i), indien zij, gegoten op een droog ingescheurd filtreerpapiertje (Whatmanfilter no. 3), dit binnen 5 minuten doen ontbranden of verkolen;
  3. stoffen waarbij in een monster in de vorm van een kubus met ribben van 10 cm, bij een beproevingstemperatuur van 140 0C binnen 24 uren een zelfontbranding of een temperatuurverhoging tot hoger dan 200 0C wordt waargenomen, moeten worden ingedeeld in klasse 4.2. Dit criterium is gebaseerd op de zelfontbrandingstemperatuur van houtskool, die 50 0C bedraagt voor een monster in de vorm van een kubus van 27 m3. Stoffen met een zelfontbrandingstemperatuur hoger dan 50 0C voor een volume van 27 m3 mogen niet in klasse 4.2 worden ingedeeld.

Opmerking 1: Stoffen die in colli met een inhoud van ten hoogste 3 m3 worden vervoerd, zijn niet onderworpen aan klasse 4.2, indien bij beproeving van een monster, in de vorm van een kubus met ribben van 10 cm, bij een temperatuur van 120 0C binnen 24 uur geen zelfontbranding of temperatuurverhoging tot boven 180 0C optreedt.

Opmerking 2: Stoffen die in colli met een inhoud van ten hoogste 450 l worden vervoerd, zijn niet onderworpen aan klasse 4.2, indien bij beproeving van een monster, in de vorm van een kubus met ribben van 10 cm, bij een temperatuur van 100 0C binnen 24 uur geen zelfontbranding of temperatuurverhoging tot boven 160 0C optreedt.

Opmerking 3: Aangezien metaalorganische stoffen afhankelijk van hun eigenschappen in klasse 4.2 of 4.3 met aanvullende bijkomende gevaren kunnen worden ingedeeld, is in 2.3.5 een speciaal beslissingsschema voor de classificatie van deze stoffen opgenomen.

 

2.2.42.1.6

Indien stoffen van klasse 4.2 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën dan die waartoe de met name in tabel A van hoofdstuk 3.2 genoemde stoffen behoren, moeten deze mengsels worden ingedeeld in de posities waartoe zij op grond van dergelijke gevaarseigenschappen behoren.

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) zie ook 2.1.3.

 

2.2.42.1.7

Op grond van de beproevingsmethoden in het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3 en de criteria van 2.2.42.1.5, kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde stof zodanig is, dat deze stof niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse

 

2.2.42.1.8

Indeling in verpakkingsgroepen

Stoffen en voorwerpen ingedeeld in de onder de verschillende posities in tabel A van hoofdstuk 3.2 moeten op grond van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3 zijn ingedeeld in de verpakkingsgroepen I, II en III, overeenkomstig de volgende criteria:

  1. stoffen die voor zelfontbranding vatbaar (pyrofoor) zijn moeten worden ingedeeld in verpakkingsgroep I;
  2. stoffen en voorwerpen die voor zelfverhitting vatbaar zijn en waarbij in een monster, in de vorm van een kubus met ribben van 2,5 cm, bij een beproevingstemperatuur van 140 0C binnen 24 uren een zelfontbranding of een temperatuurverhoging tot hoger dan 200 0C wordt waargenomen, moeten worden ingedeeld in verpakkingsgroep II. Stoffen met een zelfontbrandingstemperatuur hoger dan 50 0C voor een volume van 450 liter moeten niet in verpakkingsgroep II worden ingedeeld;
  3. stoffen die weinig voor zelfverhitting vatbaar zijn, waarbij in een monster, in de vorm van een kubus met ribben van 2,5 cm, de verschijnselen genoemd onder b) onder de gegeven omstandigheden niet worden waargenomen, maar waarbij in een monster, in de vorm van een kubus met ribben van 10 cm, bij een beproevingstemperatuur van 140 0C binnen 24 uren een zelfontbranding of een temperatuurverhoging tot hoger dan 200 0C wordt waargenomen, moeten worden ingedeeld in verpakkingsgroep III.

 

2.2.42.2

Niet ten vervoer toegelaten stoffen

De volgende stoffen zijn niet ten vervoer toegelaten

  • UN 3255 tert-BUTYLHYPOCHLORIET
  • voor zelfverhitting vatbare stoffen, oxiderend, die zijn ingedeeld onder UN-nummer 3127, tenzij zij voldoen aan de voorschriften van klasse 1 (zie 2.1.3.7).

 

2.2.42.3

Lijst van verzamelaanduidingen

2.2.42.3

  1. Stof en poeder van metalen, niet giftig, in niet voor zelfontbranding vatbare vorm, die echter in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3.

 

2.2.43

Klasse 4.3: Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen

2.2.43.1

Criteria

2.2.43.1.1

De titel van klasse 4.3 omvat stoffen, die als gevolg van een reactie met water brandbare gassen ontwikkelen, die met lucht ontplofbare mengsels kunnen vormen, alsmede voorwerpen die stoffen van deze klasse bevatten.

 

2.2.43.1.2

De stoffen en voorwerpen van klasse 4.3 zijn als volgt onderverdeeld:

  • W Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zonder bijkomend gevaar, en voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten
    • W1 Vloeistoffen
      W2 Vaste stoffen
    • W3 Voorwerpen
  • WF1 Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vloeibaar, brandbaar
  • WF2 Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vast, brandbaar
  • WS Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, voor zelfverhitting vatbaar, vast
  • WO Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, oxiderend, vast
  • WT Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, giftig
    • WT1 Vloeistoffen
    • WT2 Vaste stoffen
  • WC Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, bijtend
    • WC1 Vloeistoffen
    • WC2 Vaste stoffen
  • WFC Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, brandbaar, bijtend.

 

2.2.43.1.3

Eigenschappen

Bepaalde stoffen kunnen in contact met water brandbare gassen ontwikkelen die met lucht explosieve mengsels kunnen vormen. Dergelijke mengsels worden gemakkelijk ontstoken door alle normale ontstekingsbronnen, bijv. onbeschermde lichtbronnen, handgereedschap dat vonken afgeeft of onbeschermde lampen.

De schokgolf die daarvan het gevolg is en de vlam kunnen personen en het milieu in gevaar brengen. De beproevingsmethode waarna verwezen wordt in 2.2.43.1.4 hieronder is bedoeld om vast te stellen of de reactie van een stof met water leidt tot de ontwikkeling van een gevaarlijke hoeveelheid gassen die brandbaar kunnen zijn. Deze beproevingsmethode mag niet worden toegepast bij pyrofore stoffen.

 

2.2.43.1.4

Classificatie

De in klasse 4.3 ingedeelde stoffen en voorwerpen zijn genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.2. De indeling van stoffen en voorwerpen die niet met name zijn genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.2 in de juiste positie van subsectie 2.2.43.3 overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2.1 moet geschieden op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria deel III, sectie 33.4; hierbij moet ook rekening worden gehouden met ervaring, indien deze tot een strengere indeling leidt.

 

2.2.43.1.5

Indien niet met name genoemde stoffen en voorwerpen onder één van de posities in 2.2.43.2 worden ingedeeld op grond van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.4, zijn de volgende criteria van toepassing:

Een stof moet worden ingedeeld in klasse 4.3, indien:

  1. het ontwikkelde gas spontaan ontbrandt tijdens een willekeurige fase van de beproeving, of
  2. een debiet van brandbaar gas per kg stof wordt gemeten, groter dan 1 liter per uur.

Opmerking: Aangezien metaalorganische stoffen afhankelijk van hun eigenschappen in klasse 4.2 of 4.3 met aanvullende bijkomende gevaren kunnen worden ingedeeld, is in 2.3.5 een speciaal beslissingsschema voor de classificatie van deze stoffen opgenomen.

 

2.2.43.1.6

Indien de stoffen van klasse 4.3 als gevolg van toevoegingen overgaan naar een andere gevaarscategorieën dan die waartoe de met name in tabel A van hoofdstuk 3.2 genoemde stoffen behoren, moeten deze mengsels worden ingedeeld in de posities waartoe zij op grond van hun werkelijke gevaarseigenschappen behoren.


Opmerking: Voor de indelingen van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) zie ook 2.1.3.

 

2.2.43.1.7

Op grond van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.4, en de criteria van 2.2.43.1.5, kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde stof zodanig is, dat deze stof niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse.

 

2.2.43.1.8

Indeling in verpakkingsgroepen

Stoffen en voorwerpen, ingedeeld onder de verschillende posities in tabel A van hoofdstuk 3.2 moeten op grond de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.4, worden ingedeeld in verpakkingsgroep I, II en III op grond van de volgende criteria:

  1. In verpakkingsgroep I worden ingedeeld: alle stoffen die bij kamertemperatuur heftig met water reageren, waarbij in het algemeen een gas wordt ontwikkeld dat spontaan kan ontbranden, of stoffen die bij kamertemperatuur gemakkelijk met water reageren, zodanig dat het debiet van het ontwikkelde brandbare gas per kg stof tijdens een willekeurige minuut van de beproeving groter dan of gelijk aan 10 liter is.
  2. In verpakkingsgroep II worden ingedeeld: alle stoffen die bij kamertemperatuur gemakkelijk met water reageren, waarbij een brandbaar gas wordt ontwikkeld met een hoogste debiet per kilogram stof groter dan of gelijk aan 20 liter per uur, en die niet voldoen aan de criteria van verpakkingsgroep I.
  3. In verpakkingsgroep III worden ingedeeld: alle stoffen die bij kamertemperatuur langzaam met water reageren, waarbij een brandbaar gas wordt ontwikkeld met een hoogste debiet per kilogram stof groter dan of gelijk aan 1 liter per uur, en die niet voldoen aan de criteria van de verpakkingsgroepen I of II.

 

2.2.43.2

Niet ten vervoer toegelaten stoffen
Met water reactieve vaste stoffen, oxiderend, die zijn ingedeeld onder UN-nummer 3133, zijn niet ten vervoer toegelaten, behalve indien zij voldoen aan de voorschriften van klasse 1 (zie ook 2.1.3.7).

 

2.2.43.3

Lijst van verzamelaanduidingen

2.2.43.3

  1. Metalen en legeringen van metalen, die in contact met water geen brandbare gassen ontwikkelen en die niet pyrofoor of voor zelfverhitting vatbaar zijn, maar gemakkelijk brandbaar, zijn stoffen van klasse 4.1. Aardalkalimetalen en legeringen van aardalkalimetalen in pyrofore toestand zijn stoffen van klasse 4.2. Stof en poeder van metalen in pyrofore vorm zijn stoffen van klasse 4.2. Metalen en legeringen van metalen in pyrofore vorm zijn stoffen van klasse 4.2. Verbindingen van fosfor met zware metalen, zoals ijzer, koper, etc. zijn niet aan de voorschriften van het ADR onderworpen.
  2. Metalen en legeringen van metalen in pyrofore toestand zijn stoffen van klasse 4.2.
  3. Chloorsilanen met een vlampunt lager dan 23 oC, die in contact met water geen brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 3. Chloorsilanen met een vlampunt van 23 oC en hoger, die in contact met water geen brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 8.

 

 

GEVSTOF LOGO NEW

OVER   

Over Gevaarlijkestoffen.NET

Telefoon : +31 (0)850 470486

Mobiel : +31 (0)6 46855372
KvK Rotterdam : 24491885

BLIJF OP DE HOOGTE  
En schrijf je in voor onze nieuwsbrief