ADR Digitaal

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.6
Klasse 6.1 & 6.2

 

2.2.61

Klasse 6.1 Giftige stoffen

2.2.61.1

Criteria

2.2.61.1.1

De titel van klasse 6.1 omvat stoffen, waarvan uit ervaring bekend is of waarvan na experimenten op proefdieren kan worden aangenomen, dat zij in relatief geringe hoeveelheid door een eenmalige of kortstondige inwerking bij inademing, opname door de huid of inslikken de gezondheid van de mens kunnen schaden of de dood kunnen veroorzaken.

Opmerking: Genetisch gemodificeerde micro-organismen en organismen moeten in deze klasse worden ingedeeld indien zij voldoen aan de voorwaarden voor deze klasse.

 

2.2.61.1.2

De stoffen van klasse 6.1 zijn als volgt onderverdeeld:

  • T Giftige stoffen zonder bijkomend gevaar:
    • T1 organische vloeistoffen
    • T2 organische vaste stoffen
    • T3 metaalorganische stoffen
      • T4 anorganische vloeistoffen
    • T5 anorganische vaste stoffen
    • T6 pesticiden, vloeistoffen
    • T7 pesticiden, vaste stoffen
    • T8 monsters
    • T9 andere giftige stoffen
    • T10 voorwerpen
  • TF Giftige stoffen, brandbaar:
    • TF1 vloeistoffen
    • TF2 vloeistoffen, gebruikt als pesticiden
    • TF3 vaste stoffen
  • TS Giftige stoffen voor zelfverhitting vatbaar, vast
    • TW Giftige stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen:
    • TW1 vloeistoffen
    • TW2 vaste stoffen
  • TO Giftige stoffen, oxiderend:
    • TO1 vloeistoffen
    • TO2 vaste stoffen
  • TC Giftige stoffen, bijtend:
    • TC1 organische vloeistoffen
    • TC2 organische vaste stoffen
    • TC3 anorganische vloeistoffen
    • TC4 anorganische vaste stoffen
  • TFC Giftige stoffen, brandbaar, bijtend
  • TFW Giftige stoffen, brandbaar, die in contact met water gassen ontwikkelen

 

2.2.61.1.3

Definities
In de zin van het ADR wordt verstaan onder:

LD50 -waarde (gemiddelde dodelijke dosis) voor de acute giftigheid bij inslikken:
de statistisch afgeleide enkelvoudige dosis van een stof, waarbij verwacht kan worden dat binnen veertien dagen na het inslikken bij 50% jonge, volgroeide albinoratten de dood zal intreden. De LD50-waarde wordt in massa van de geteste stof ten opzichte van massa proefdier (mg/kg) uitgedrukt.

LD50-waarde voor de acute giftigheid bij opname door de huid:
De toegediende dosis stof, die bij voortdurende aanraking gedurende 24 uur met de kale huid van albinokonijnen, met de grootste waarschijnlijkheid binnen 14 dagen de dood veroorzaakt van de helft van de dieren van de groep.

Het aantal dieren, dat aan deze proef wordt onderworpen, moet voldoende zijn voor een statistisch significant resultaat en moet overeenkomen met wat gebruikelijk is in de farmacologie. Het resultaat wordt uitgedrukt in mg per kg lichaamsmassa.
LC50-waarde voor de acute giftigheid bij inademen:

De toegediende concentratie damp, nevel of stof, die bij voortdurende inademing gedurende één uur met de grootste waarschijnlijkheid binnen 14 dagen de dood veroorzaakt van de helft van een groep jonge, volwassen mannelijke en vrouwelijke albino-ratten.

Een vaste stof moet aan een beproeving worden onderworpen indien het gevaar bestaat dat ten minste 10% van de totale massa daarvan bestaat uit stofdeeltjes die kunnen worden ingeademd, bijvoorbeeld indien de aerodynamische diameter van deze deeltjesfractie ten hoogste 10 m bedraagt. Een vloeistof moet aan de beproeving worden onderworpen indien het gevaar bestaat dat tijdens een lekkage uit de voor het vervoer gebruikte dichte omhulling een nevel ontstaat.

Zowel bij vaste stoffen als vloeistoffen moet meer dan 90 massa-% van het voor de beproeving voorbereide monster bestaan uit deeltjes, die zoals hierboven beschreven kunnen worden ingeademd. Het resultaat wordt uitgedrukt in mg per liter lucht in het geval van stof en nevels, en in ml per m3 lucht (ppm) in het geval van dampen.

 

2.2.61.1.4

Classificatie en indeling in verpakkingsgroepen
Op grond van de mate van gevaar tijdens vervoer moeten de stoffen en voorwerpen van klasse 6.1 worden ingedeeld in één van de volgende groepen:

  • verpakkingsgroep I: zeer giftige stoffen,
  • verpakkingsgroep II: giftige stoffen,
  • verpakkingsgroep III: zwak giftige stoffen.

 

2.2.61.1.5

De in klasse 6.1 ingedeelde stoffen, mengsels, oplossingen en voorwerpen zijn opgenomen in tabel A van hoofdstuk 3.2. Niet met name in tabel A van hoofdstuk 3.2 genoemde stoffen, mengsels en oplossingen moeten in een juiste positie van subsectie 2.2.61.3 en een juiste verpakkingsgroep overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2.1 worden ingedeeld volgens de volgende criteria van 2.2.61.1.6 t/m 2.2.61.1.11.

 

2.2.61.1.6

Teneinde de mate van giftigheid te beoordelen moet rekening worden gehouden met de bij vergiftigingsongevallen bij mensen opgedane ervaringen alsmede met de bijzondere eigenschappen van de diverse stoffen: vloeibare toestand, grote vluchtigheid, bijzondere eigenschappen bij opname door de huid, speciale biologische werkingen.

 

2.2.61.1.7

Bij het ontbreken van waarnemingen bij de mens wordt de mate van giftigheid vastgesteld met behulp van uit dierproeven afkomstige gegevens, overeenkomstig de volgende tabel:

   VP Groep Giftigheid bij inslikken LD50 (mg/kg) Giftigheid bij opname door de huid LD50 (mg/kg) Giftigheid bij inademen stof en nevels LC50 (mg/l) 
Zeer giftig  I  ≤ 5  ≤ 50  ≤ 0,2
Giftig  II  > 5 en ≤ 50  > 50 en ≤ 200  > 0,2 en ≤ 2
zwak giftig  IIIA  > 50 en ≤ 300  200 en ≤ 1000  > 2 en ≤ 4

A
Stoffen voor de fabricage van traangas moeten worden ingedeeld in verpakkingsgroep II, zelfs indien de gegevens betreffende de giftigheid overeenkomen met de criteria van verpakkingsgroep III.

2.2.61.1.7.1

Indien een stof bij twee of meer wijzen van blootstelling verschillende soorten giftigheid vertoont, dan moet voor de indeling de meest ernstige soort giftigheid worden aangehouden.

 

2.2.61.1.7.2

Stoffen die voldoen aan de criteria van klasse 8 en waarvan de giftigheid bij inademen van stof en nevels (LC50) overeenkomt met verpakkingsgroep I, mogen slechts in klasse 6.1 worden ingedeeld indien gelijktijdig de giftigheid bij inslikken of bij opname door de huid ten minste overeenkomt met verpakkingsgroep I of II.

Anders moet de stof zo nodig in klasse 8 worden ingedeeld (zie 2.2.8.1.4.5).

 

2.2.61.1.7.3

De criteria voor de giftigheid bij inademen van stof en nevels zijn gebaseerd op de LC50-waarden bij een blootstellingsduur van één uur, en wanneer dergelijke waarden beschikbaar zijn, moeten zij worden gebruikt.

Wanneer echter alleen LC50-waarden bij een blootstellingsduur van vier uur beschikbaar zijn, kunnen de desbetreffende waarden met 4 vermenigvuldigd worden, en kan het product de waarden in de bovenvermelde criteria vervangen; d.w.z. de LC50-waarde (4 uur) x 4 wordt beschouwd als equivalent aan de LC50-waarde (1 uur).

 

2.2.61.1.8

Giftigheid bij inademen van dampen
Vloeistoffen die giftige dampen afgeven, moeten in de volgende groepen worden ingedeeld, waarbij de letter "V" de verzadigde dampconcentratie (in ml/m3 lucht) (vluchtigheid) bij 20 oC en bij normale atmosferische druk aangeeft:

   VP GROEP
Zeer giftig  I indien V => 10 LC50 en LC50 ≤ 1000 ml/m3
Giftig  II indien V => LC50 en LC50 ≤ 3000 ml/m3 en aan de criteria voor verpakkingsgroep I niet wordt voldaan
Zwak giftig  IIIA indien V => 1/5 LC50 en LC50 ≤ 5000 ml/m3 en aan de criteria voor verpakkingsgroep I of II niet wordt voldaan
A Stoffen voor de fabricage van traangas moeten worden ingedeeld in verpakkingsgroep II, zelfs indien de gegevens betreffende de giftigheid overeenkomen met de criteria van verpakkingsgroep III.

Deze criteria voor de giftigheid bij inademen van dampen zijn gebaseerd op de LC50-waarden bij een blootstellingsduur van één uur, en wanneer dergelijke waarden beschikbaar zijn, moeten zij worden gebruikt.

Wanneer echter alleen LC50-waarden bij een blootstellingsduur aan dampen van vier uur beschikbaar zijn, kunnen de desbetreffende waarden met 2 vermenigvuldigd worden, en kan het product de waarden in de bovenvermelde criteria vervangen; d.w.z. de LC50-waarde (4 uur) x 2 wordt beschouwd als equivalent aan de LC50-waarde (1 uur).

In deze afbeelding worden de criteria weergegeven in grafische vorm, als hulpmiddel voor de stofindeling. In verband met de onnauwkeurigheden inherent aan het gebruik van grafieken, moet echter de giftigheid van stoffen op/nabij de scheidingslijnen met behulp van de numerieke criteria worden gecontroleerd.

SCHEIDINGSLIJNEN VAN DE VERPAKKINGSGROEPEN GIFTIGHEID BIJ INADEMEN VAN DAMPEN

2.2.61.1.8 1

Legenda:
Not dangerous for transport: Niet gevaarlijk voor vervoer
Packing group: Verpakkingsgroep
Volatility ml/m3 Vluchtigheid ml/m3 



2.2.61.1.9

Mengsels van vloeistoffen
Mengsels van vloeistoffen die giftig zijn bij inademen moeten in de verpakkingsgroepen worden ingedeeld
volgens de hierna volgende criteria:

2.2.61.1.9.1

Indien de LC50-waarde voor elke giftige stof afzonderlijk die deel uitmaakt van het mengsel bekend is, kan de
verpakkingsgroep als volgt worden vastgesteld:

  • Berekening van de LC50-waarde van het mengsel:

    2.2.61.1.9.1 1
    waarin
    fi = molaire fractie van de i-de component van het mengsel,
    LC50i = gemiddelde letale concentratie van de i-de component in ml/m3.

  • Berekening van de vluchtigheid van elke component van het mengsel afzonderlijk:

    2.2.61.1.9.1 3
    waarin
    Pi = partieeldruk van de i-de component in kPa bij 20 oC en bij normale atmosferische druk.

  • Berekening van de verhouding van de vluchtigheid tot de LC50-waarde

    2.2.61.1.9.1 2

  • De berekende waarden voor LC50 (mengsel) en R dienen ertoe om de groep van het mengsel vast te
    stellen:
    • Verpakkingsgroep I R =>10 en LC50 (mengsel) ≤ 1000 ml/m3;
    • Verpakkingsgroep II R => 1 en LC50 (mengsel) ≤ 3000 ml/m3 en indien het mengsel niet voldoet aan de
      criteria van verpakkingsgroep I;
    • Verpakkingsgroep III R => 1/5 en LC50 (mengsel) ≤ 5000 ml/m3 en indien het mengsel niet voldoet aan de
      criteria van verpakkingsgroep I of II.

 

2.2.61.1.9.2

Indien de LC50-waarden van de giftige componenten niet bekend zijn, kan het mengsel in een groep worden
ingedeeld met behulp van de hierna beschreven vereenvoudigde beproevingen voor de drempelwaarden van
de giftigheid.

In dit geval moet de meest restrictieve groep worden bepaald en voor het vervoer van het mengsel
worden gebruikt.

 

2.2.61.1.9.3

Een mengsel wordt alleen dan in groep I ingedeeld, indien het voldoet aan de volgende twee criteria:

  1. Een monster van het vloeibare mengsel wordt verdampt en met lucht verdund zodat een
    beproevingsatmosfeer ontstaat van 1000 ml/m3 verdampt mengsel in lucht.

    Tien albino-ratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur blootgesteld aan deze atmosfeer en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd.

    Indien ten minste vijf dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat de LC50-waarde van het mengsel gelijk aan of lager dan 1000 ml/m3 is.

  2. Een monster van de damp in evenwicht met het vloeibare mengsel wordt met het 9-voudige volume lucht
    verdund om een beproevingsatmosfeer te vormen.

    Tien albino-ratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur blootgesteld aan deze atmosfeer en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd.

    Indien ten minste vijf dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen
    dat het mengsel een vluchtigheid bezit die gelijk aan of groter is dan 10 maal de LC50-waarde van het
    mengsel.

 

2.2.61.1.9.4

Een mengsel wordt alleen dan in verpakkingsgroep II ingedeeld, indien het voldoet aan de volgende twee
criteria, en indien het niet voldoet aan de criteria van verpakkingsgroep I:

  1. Een monster van het vloeibare mengsel wordt verdampt en met lucht verdund zodat een
    beproevingsatmosfeer ontstaat van 3000 ml/m3 verdampt mengsel in lucht.

    Tien albino-ratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur blootgesteld aan de beproevingsatmosfeer en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd.

    Indien ten minste vijf dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat de LC50-waarde van het mengsel gelijk aan of lager dan 3000 ml/m3 is.

  2. Een monster van de damp in evenwicht met het vloeibare mengsel wordt gebruikt om een beproevingsatmosfeer te vormen.

    Tien albino-ratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur blootgesteld aan deze beproevingsatmosfeer en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd.

    Indien ten minste vijf dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat het mengsel een vluchtigheid bezit die gelijk aan of groter is dan LC50-waarde van het mengsel.

 

2.2.61.1.9.5

Een mengsel wordt alleen dan in groep III ingedeeld, indien het voldoet aan de volgende twee criteria, en indien het niet voldoet aan de criteria van verpakkingsgroep I of II:

  1. Een monster van het vloeibare mengsel wordt verdampt en met lucht verdund zodat een beproevingsatmosfeer ontstaat van 5000 ml/m3 verdampt mengsel in lucht.

    Tien albino-ratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur blootgesteld aan de beproevingsatmosfeer en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd.

    Indien ten minste vijf dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat de LC50-waarde van het mengsel gelijk aan of lager dan 5000 ml/m3 is

  2. De dampconcentratie (vluchtigheid) van het vloeibare mengsel wordt gemeten; indien deze gelijk aan of groter dan 1000 ml/m3 is, wordt aangenomen dat het mengsel een vluchtigheid bezit gelijk aan of groter dan 1/5 van de LC50-waarde van het mengsel.

 

2.2.61.1.10

Berekeningsmethoden voor de giftigheid van mengsels bij inslikken en bij opname door de huid.
Voor de indeling van de mengsels van klasse 6.1 en de indeling in de juiste verpakkingsgroep overeenkomstig de criteria voor de giftigheid bij inslikken en bij opname door de huid (zie 2.2.61.1.3) is het noodzakelijk de acute LD50-waarde van het mengsel te berekenen.

 

2.2.61.1.10.1

Indien een mengsel slechts één werkzame stof bevat, en de LD50-waarde daarvan is bekend, kan bij gebrek aan betrouwbare gegevens voor de acute giftigheid van het te vervoeren mengsel bij inslikken en bij opname door de huid de LD50-waarde bij inslikken en bij opname door de huid met behulp van de volgende methode worden bepaald:

2.2.61.1.10.1 1

 

2.2.61.1.10.2

Indien een mengsel meer dan één werkzame stof bevat, kunnen 3 mogelijke methoden voor de berekening van de LD50-waarde bij inslikken en bij opname door de huid worden gebruikt.

De aanbevolen methode bestaat uit het verkrijgen van betrouwbare gegevens voor de acute giftigheid bij inslikken en bij opname door de huid voor het werkelijk te vervoeren mengsel.

Indien geen betrouwbare exacte gegevens beschikbaar zijn, kan worden teruggegrepen op één van de volgende methoden:

  1. Indeling van het preparaat afhankelijk van de gevaarlijkste werkzame stof van het mengsel onder de aanname, dat deze aanwezig is in dezelfde concentratie als de totale concentratie van alle werkzame componenten; of
  2. Toepassing van de formule:

    2.2.61.1.10.1 1

    waarin:

    C = de concentratie in procenten van de component A, B, ..., Z van het mengsel;
    T = de LD50-waarde bij inslikken van de component A, B, ..., Z;
    TM = de LD50-waarde bij inslikken van het mengsel.

    Opmerking: Deze formule kan ook worden gebruikt voor de giftigheid bij opname door de huid, onder voorwaarde dat de informatie op dezelfde wijze voor alle bestanddelen beschikbaar is. Het gebruik van deze formule houdt geen rekening met eventuele verschijnselen van versterking of verzwakking van de werking van de stof.

 

2.2.61.1.11

Classificatie van pesticiden (bestrijdingsmiddelen)
De werkzame stoffen van pesticiden en hun formuleringen waarvan de LC50- en/of LD50-waarden bekend zijn en die zijn ingedeeld in klasse 6.1 moeten in de juiste verpakkingsgroep overeenkomstig de criteria van 2.2.61.1.6 t/m 2.2.61.1.9 hierboven worden ingedeeld.

Stoffen en formuleringen, die gekenmerkt zijn door bijkomende gevaren, moeten worden ingedeeld overeenkomstig de tabel van overheersende gevaren in 2.1.3.9, de juiste verpakkingsgroep inbegrepen.

 

2.2.61.1.11.1

Indien de LD50-waarde bij inslikken of bij opname door de huid van een formulering van een pesticide niet bekend is, maar de LD50-waarde van de werkzame stof(fen) is (zijn) bekend, kan de LD50-waarde van de formulering worden verkregen door toepassing van de procedures in 2.2.61.1.10.

Opmerking: De LD50-waarden voor de giftigheid van een aantal gebruikelijke pesticiden kunnen worden gevonden in de meest recente uitgave van de publicatie “The WHO Recommended Classification of Pesticides by Hazard and Guidelines to Classification” die kan worden betrokken bij: World Health Organisation (WHO), International Programme on Chemical Safety, CH-1211 Genève 27.

Hoewel dit document kan dienen als bron voor gegevens van de LD50-waarden van pesticiden, mag het classificatiesysteem daarvan niet worden gebruikt voor de indeling van pesticiden voor het vervoer of voor de indeling in verpakkingsgroepen. Deze indelingen moeten overeenkomstig de voorschriften van het ADR worden uitgevoerd.

 

2.2.61.1.11.2

De juiste vervoersnaam, gebruikt voor het vervoer van pesticiden, moet worden gekozen op grond van de werkzame stof, de aggregatietoestand van het pesticide en mogelijke bijkomende gevaren die het vertoont (zie 3.1.2).

 

2.2.61.1.12

Indien stoffen van klasse 6.1 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën dan die waartoe de met name genoemde stoffen in tabel A van hoofdstuk 3.2 behoren, moeten deze mengsels of oplossingen worden ingedeeld in de posities waartoe zij op grond van hun werkelijke gevaarseigenschappen behoren.

Opmerking: Zie voor de classificatie van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) ook 2.1.3.

 

2.2.61.1.13

Op grond van de criteria van 2.2.61.1.6 t/m 2.2.61.1.11 kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde oplossing of mengsel, respectievelijk een oplossing of een mengsel, die/dat een met name genoemde stof bevat zodanig is, dat deze oplossing of dit mengsel niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse.

 

2.2.61.1.14

Stoffen, oplossingen en mengsels, - met uitzondering van stoffen en preparaten die worden gebruikt als pesticiden -, die niet zijn ingedeeld in de categorie 1, 2 of 3 voor acute giftigheid overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/200813 *3 kunnen worden beschouwd als stoffen die niet tot de klasse 6.1 behoren.

*3 Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006, bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, L 353 van 31 december 2008, blz. 1-1355.

 

2.2.61.2

Niet ten vervoer toegelaten stoffen

2.2.61.2.1

De chemisch instabiele stoffen van de klasse 6.1 zijn niet ten vervoer toegelaten, tenzij de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om de mogelijkheid van een gevaarlijke ontleding of polymerisatie onder normale vervoersomstandigheden te verhinderen.

Voor de benodigde voorzorgsmaatregelen om polymerisatie te voorkomen, zie bijzondere bepaling 386 van hoofdstuk 3.3. Daartoe moet er in het bijzonder zorg voor worden gedragen, dat de houders en tanks geen stoffen bevatten, die deze reacties bevorderen.

 

2.2.61.2.2

De volgende stoffen en mengsels zijn niet ten vervoer toegelaten:

  • cyaanwaterstof, watervrij of in oplossing, dat niet voldoet aan de omschrijvingen van de UN-nummers
    • 1051,
    • 1613,
    • 1614, 
    • 3294
  • metaalcarbonylen met een vlampunt lager dan 23 oC, met uitzondering van UN 1259 NIKKELCARBONYL en UN 1994 IJZERPENTACARBONYL,
  • 2,3,7,8-TETRACHLOORDIBENZO-p-DIOXINE (TCDD) in concentraties, die volgens de criteria van 2.2.61.1.7 als zeer giftig beschouwd worden,
  • UN 2249 DICHLOORMETHYLETHER, SYMMETRISCH,
  • preparaten van fosfiden zonder toevoegingen die de ontwikkeling van brandbare giftige gassen vertragen.

 

2.2.61.3

Lijst van verzamelaanduidingen

2.2.61.3 final

Noten:

  1. Stoffen en preparaten die alkaloïden of nicotine bevatten, gebruikt als pesticiden moeten worden ingedeeld onder UN 2588 PESTICIDEN, VAST, GIFTIG, N.E.G., UN 2902 PESTICIDEN, VLOEIBAAR, GIFTIG, N.E.G. of UN 2903 PESTICIDEN, VLOEIBAAR, GIFTIG, BRANDBAAR, N.E.G.
  2. Werkzame stoffen en trituraties of mengsels van stoffen met andere stoffen, bestemd voor laboratoria en beproevingen en voor de fabricage van farmaceutische producten, moeten overeenkomstig hun giftigheid worden ingedeeld (zie 2.2.61.1.7 t/m 2.2.61.1.11).
  3. Voor zelfverhitting vatbare stoffen, zwak giftig en voor zelfontbranding vatbare, metaalorganische verbindingen, zijn stoffen van klasse 4.2.
  4. Met water reactieve stoffen, zwak giftig, en met water reactieve metaalorganische verbindingen, zijn stoffen van klasse 4.3.
  5. Kwikfulminaat, bevochtigd met minder dan 20 massa-% water of een mengsel van alcohol en water, is een stof van klasse 1, UN-nummer 0135.
  6. Ferricyaniden, ferrocyaniden, alkali-thiocyanaten en ammonium-thiocyanaten zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR.
  7. Loodzouten en loodpigmenten, die slechts tot ten hoogste 5% oplosbaar zijn indien ze gedurende één uur bij een temperatuur van 23 °C ± 2 °C in een mengverhouding van 1:1000 met 0,07M-zoutzuur geroerd worden, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR.
  8. Voorwerpen, geïmpregneerd met dit pesticide, zoals kartonnen borden, papieren stroken, wattenbollen en kunststofplaten, in hermetisch afgesloten omhullingen, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR.
  9. Mengsels van vaste stoffen, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, met giftige vloeistoffen, mogen worden vervoerd onder UN-nummer 3243, zonder dat eerst de indelingscriteria van klasse 6.1 worden toegepast, onder voorwaarde dat geen overtollige vloeistof zichtbaar is op het moment van het laden van de stof of van het sluiten van de verpakking, container of transporteenheid. De verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype dat met goed gevolg de dichtheidsproef voor verpakkingsgroep II heeft doorstaan. Deze positie mag niet worden gebruikt voor vaste stoffen, die een vloeistof van verpakkingsgroep I bevatten.
  10. Zeer giftige en giftige, brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 23 °C zijn stoffen van klasse 3, met uitzondering van die welke zeer giftig zijn bij inademen, zoals gedefinieerd in 2.2.61.1.4 t/m 2.2.61.1.9. Vloeistoffen die zeer giftig zijn bij inademen worden aangeduid als "bij inademen giftig" in hun juiste vervoersnaam in kolom (2) of met bijzondere bepaling 354 in kolom (6) van tabel A van hoofdstuk 3.2.
  11. Brandbare vloeistoffen, zwak giftig, met uitzondering van stoffen en preparaten gebruikt als pesticiden, met een vlampunt van 23 °C t/m 60 °C , zijn stoffen van klasse 3.
  12. Zwak giftige, oxiderende stoffen, zijn stoffen van klasse 5.1.
  13. Zwak giftige en zwak bijtende stoffen zijn stoffen van klasse 8.
  14. Metaalfosfiden, ingedeeld onder de UN-nummers 1360, 1397, 1432, 1714, 2011 en 2013, zijn stoffen van klasse 4.3.

 

2.2.62

Klasse 6.2 Infectueuze stoffen (besmettelijke stoffen)

2.2.62.1

Criteria

2.2.62.1.1

De titel van klasse 6.2 omvat infectueuze stoffen. Infectueuze stoffen in de zin van het ADR zijn stoffen, waarvan bekend is of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij ziekteverwekkers bevatten. Ziekteverwekkers zijn gedefinieerd als micro-organismen (met inbegrip van bacteriën, virussen, rickettsia, parasieten en schimmels) en andere verwekkers als prionen, die ziekten veroorzaken kunnen bij mensen of dieren.

Opmerking 1: Genetische gemodificeerde micro-organismen en organismen, biologische producten, diagnostische monsters en opzettelijk geïnfecteerde levende dieren moeten in deze klasse worden ingedeeld, indien zij voldoen aan de voorwaarden van deze klasse.

Het vervoer van levende dieren die onopzettelijk of op natuurlijke wijze zijn geïnfecteerd is alleen onderworpen aan de geldende regels en voorschriften van de respectieve landen van oorsprong, doorvoer en bestemming.

Opmerking 2: Toxinen afkomstig van planten, dieren of bacteriën, die geen infectueuze stoffen of organismen bevatten of die niet aanwezig zijn in infectueuze stoffen of organismen, zijn stoffen van klasse 6.1, UN-nummer 3172 of 3462.

 

2.2.62.1.2

De stoffen van klasse 6.2 zijn als volgt onderverdeeld:

  • I1: Infectueuze stoffen, gevaarlijk voor mensen
  • I2: Infectueuze stoffen, alleen gevaarlijk voor dieren
  • I3: Ziekenhuisafval
  • I4: Biologische stoffen

 

2.2.62.1.3

Definities
In de zin van het ADR geldt het volgende:

Biologische producten zijn producten van levende organismen, die worden vervaardigd en in omloop gebracht overeenkomstig de voorschriften van nationale overheidsautoriteiten, die bijzondere toelatingsvoorwaarden voor het gebruik kunnen opleggen, en die worden gebruikt ofwel ter voorkoming, behandeling of diagnose van ziekten bij mens of dier, dan wel voor daarmee verband houdende ontwikkelings-, experimentele of onderzoeksdoeleinden. Zij omvatten, maar zijn niet beperkt tot, eind- of tussenproducten, zoals vaccins.

Culturen zijn het resultaat van een proces, waarbij ziekteverwekkers opzettelijk worden vermeerderd. Deze definitie omvat niet monsters van menselijke of dierlijke patiënten, overeenkomstig de definitie in deze paragraaf.
Medisch- of ziekenhuisafval is afval dat afkomstig is uit de medische behandeling van dieren of mensen of stammen uit het biologisch onderzoek.

Patiëntenmonsters zijn monsters die rechtstreeks worden verkregen van mensen of dieren, inclusief, echter niet beperkt tot uitgescheiden of afgescheiden stoffen, bloed en bestanddelen daarvan, weefsel en uitstrijkjes van weefselvloeistof, alsmede lichaamsdelen, die worden vervoerd voor doeleinden van research, diagnose, onderzoeksactiviteiten, behandeling van ziekten en preventie.

 

2.2.62.1.4

Classificatie
Infectueuze stoffen moeten in klasse 6.2 en al naar gelang de situatie in UN-nummer 2814, 2900, 3291 of 3373 worden ingedeeld.

 

2.2.62.1.4.1

Infectueuze stoffen worden in de volgende categorieën ingedeeld:
Categorie A: Een infectueuze stof, die in een vorm wordt vervoerd, die bij blootstelling bij overigens gezonde mensen of dieren blijvende invaliditeit of een levensbedreigende of dodelijke ziekte kan veroorzaken. Indicatieve voorbeelden voor stoffen die voldoen aan deze criteria zijn in de tabel bij deze sectie opgenomen.

Opmerking: Blootstelling vindt plaats indien een infectueuze stof uit de beschermende verpakking naar buiten treedt met als gevolg een fysisch contact met mensen of dieren.

  1. Infectueuze stoffen, die aan deze criteria voldoen en die bij mensen of zowel bij mensen als ook bij dieren een ziekte kunnen veroorzaken, moeten in UN-nummer 2814 worden ingedeeld. Infectueuze stoffen, die alleen bij dieren een ziekte kunnen veroorzaken, moeten in UN-nummer 2900 worden ingedeeld.
  2. De indeling in UN-nummer 2814 of 2900 moet plaats vinden op basis van de bekende anamnese en symptomen bij zieke mensen of dieren, de plaatselijke, endemische omstandigheden of het oordeel van een specialist met betrekking tot de individuele toestand van de zieke mensen of dieren.

Opmerking 1: De juiste vervoersnaam van UN 2814 is: “INFECTUEUZE STOF, GEVAARLIJK VOOR MENSEN (BESMETTELIJKE STOF, GEVAARLIJK VOOR MENSEN)”.

De juiste vervoersnaam voor UN 2900 is: “INFECTUEUZE STOF, alleen GEVAARLIJK VOOR DIEREN (BESMETTELIJKE STOF alleen GEVAARLIJK VOOR DIEREN)”

Opmerking 2: De volgende tabel is niet uitputtend. Infectueuze stoffen, inclusief nieuwe of opduikende ziekteverwekkers, die niet zijn opgenomen in de tabel maar die voldoen aan dezelfde criteria, moeten in de categorie A worden ingedeeld. Bovendien moet een stof in de categorie A worden ingedeeld, indien er twijfel bestaat of deze voldoet aan de criteria of niet.

Opmerking 3: Die micro-organismen, die in de volgende tabel cursief zijn weergegeven, zijn bacteriën, mycloplasmen, rickettsia of schimmels.

INDICATIEVE VOORBEELDEN VAN INFECTUEUZE STOFFEN, DIE IN IEDERE VORM ONDER CATEGORIE  A VALLEN, VOOR ZOVER NIETS ANDERS IS AANGEGEVEN (zie 2.2.62.1.4.1)
UN-nummer en benaming Micro-organisme

UN 2814
INFECTUEUZE STOFFEN,
GEVAARLIJK VOOR MENSEN

Bacillus anthracis (alleen culturen)
Brucella abortus (alleen culturen)
Brucella melitensis (alleen culturen)
Brucella suis (alleen culturen)
Burkholderia mallei – pseudomonas mallei (alleen culturen)
Burkholderia pseudomallei – pseudomonas pseudomallei (alleen culturen)
Chlamydia psittaci – aviaire stammen (alleen culturen)
Clostridium botulinum (alleen culturen)
Coccidioides immitis (alleen culturen)
Coxiella burnetii (alleen culturen)
Krim-Kongo hemorragische koorts virus
Dengue-virus (alleen culturen)
Oosterse equine encefalitis virus (alleen culturen)
Escherichia coli, verotoxigeen (alleen culturen) A
Ebola-virus
Flexal-virus
Francisella tularensis (alleen culturen)
Guanarito-virus
Hantaan-virus
Hanta virussen, die hemorragische koorts met niersyndroom veroorzaken
Hendra-virus
Hepatitis-B-virus (alleen culturen)
Herpes-B-virus (alleen culturen)
Humaan immunodeficiëntie virus (alleen culturen)
Hoog pathogeen vogelgriep virus (alleen culturen)
Japanse Encefalitis-virus (alleen culturen)
Junin-Virus
Kyasanur-Forest disease virus
Lassa-virus
Machupo-virus
Marburg-virus
Article I.               Apenpokken virus
Mycobacterium tuberculosis (alleen culturen) A
Nipah-Virus
Omsk hemorragische koorts virus
Polio virus (alleen culturen)
Rabies (hondsdolheid) virus (alleen culturen)
Rickettsia prowazekii (alleen culturen)
Rickettsia rickettsii (alleen culturen)
Rift Valley koorts virus (alleen culturen)
Russisch Spring-Summer encephalitis virus (alleen culturen)
Sabia-Virus
Shigella dysenteriae type 1(alleen culturen) A
Tekenencefalitis virus (alleen culturen)
Pokken-Virus
Venezolaans paarden encefalitis virus (alleen culturen)
West-Nijl virus (alleen culturen)
Gele koorts virus (alleen culturen)
Yersinia pestis (alleen culturen)
UN 2900
INFECTUEUZE
STOFFEN, ALLEEN
GEVAARLIJK VOOR
DIEREN
Afrikaanse varkenspest virus (alleen culturen)
Pseudovogelpest virus type 1 – velogeen Newcastle disease virus (alleen culturen)
Klassieke varkenspest virus (alleen culturen)
Mond- en klauwzeer virus (alleen culturen)
Lumpy skin disease virus (alleen culturen)
Mycoplasma mycoides – Besmettelijke runder pleuropneumonie (alleen culturen)
Pestvirus van de kleine herkauwer (alleen culturen)
Runderpest virus (alleen culturen)
Schapenpokken virus (alleen culturen)
Geitenpokken virus (alleen culturen)
Vesiculaire varkensziekte virus (Blaasjesziekte) (alleen culturen)
Vesiculaire Stomatitis virus (alleen culturen)

A Echter indien culturen voor diagnostische of klinische doeleinden zijn bestemd, mogen deze als infectueuze stoffen van categorie B worden geclassificeerd. 

 

2.2.62.1.4.2

Categorie B: Een infectueuze stof die niet voldoet aan de criteria voor indeling in categorie A.

Infectueuze stoffen van de categorie B moeten worden ingedeeld in UN 3373.

Opmerking: De juiste vervoersnaam van UN 3373 is:
“BIOLOGISCHE STOF, CATEGORIE B”

 

2.2.62.1.5

Vrijstellingen

2.2.62.1.5.1

Stoffen die geen infectueuze stoffen bevatten, of stoffen waarbij het onwaarschijnlijk is, dat zij bij mensen of dieren ziekten veroorzaken, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR, tenzij dat zij voldoen aan de criteria voor de indeling in een andere klasse.

 

2.2.62.1.5.2

Stoffen die micro-organismen bevatten, die ten opzichte van mensen of dieren niet pathogeen zijn, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR, tenzij zij voldoen aan de criteria voor de indeling in een andere klasse

 

2.2.62.1.5.3

Stoffen in een vorm, waarin alle aanwezige ziekteverwekkers zodanig zijn geneutraliseerd of geïnactiveerd, dat zij geen risico voor de gezondheid meer vormen, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR, tenzij zij voldoen aan de criteria voor indeling in een andere klasse.

Opmerking: Medische apparatuur waaruit alle overtollige vloeistof is verwijderd wordt geacht aan de vereisten van deze paragraaf te voldoen en is niet aan de voorschriften van het ADR onderworpen.

 

2.2.62.1.5.4

Stoffen, waarin de concentratie van ziekteverwekkers op een niveau ligt dat in de natuur wordt aangetroffen (met inbegrip van voedingsmiddelen en watermonsters) en waarbij kan worden aangenomen dat zij geen ernstig besmettingsgevaar vertonen, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR, tenzij zij voldoen aan de criteria voor indeling in een andere klasse.

 

2.2.62.1.5.5

Gedroogde bloedvlekken die door het opbrengen van een druppel op een absorberend materiaal worden verkregen, zijn niet onderworpen aan het ADR.

 

2.2.62.1.5.6

Monsters uit preventief onderzoek naar occult bloed in faeces zijn niet onderworpen aan het ADR.

 

2.2.62.1.5.7

Bloed of bestanddelen van bloed die zijn verzameld ten behoeve van transfusie of voor het bereiden van bloedproducten bestemd voor gebruik voor bloedtransfusie of transplantatie, alsmede alle weefsels of organen bestemd voor gebruik bij transplantatie en monsters die in verband met deze doeleinden zijn afgenomen, zijn niet onderworpen aan het ADR.

 

2.2.62.1.5.8

Monsters, afkomstig van mensen of dieren, waarvan de waarschijnlijkheid dat zij ziekteverwekkers bevatten minimaal is, zijn niet onderworpen aan het ADR, indien het monster wordt vervoerd in een verpakking, die elke vorm van lekkage voorkomt en die voorzien is van het opschrift "VRIJGESTELD MENSELIJK MONSTER" respectievelijk "VRIJGESTELD DIERLIJK MONSTER".
De verpakking wordt geacht te voldoen aan bovengenoemde voorschriften indien deze aan de volgende voorwaarden voldoet:

  1. a) De verpakking bestaat uit drie onderdelen:
    1. (een) lekdicht(e) primaire houder(s);
    2. een lekdichte secundaire verpakking; en
    3. een buitenverpakking van voldoende sterkte gelet op de inhoud, de massa en het beoogd gebruik, waarbij ten minste één oppervlak minimum afmetingen van 100 mm x 100 mm bezit.
  2. In geval van vloeistoffen moet tussen de primaire houder(s) en de secundaire verpakking een voldoende hoeveelheid absorberend materiaal zijn aangebracht om de totale inhoud te kunnen absorberen, zodat tijdens het vervoer elke vorm van uittreden of lekkage van vloeistof niet de buitenverpakking bereikt en de ongeschonden staat van de voor opvulling dienende stoffen niet wordt aangetast.
  3. Indien meerdere breekbare primaire houders in een enkele secundaire verpakking worden verpakt, dan moeten deze hetzij afzonderlijk omwikkeld, dan wel gescheiden worden, teneinde onderlinge aanraking te voorkomen.

Opmerking 1: Teneinde vast te stellen of een stof overeenkomstig de voorschriften van deze paragraaf is vrijgesteld, is een bepaalde professionele beoordeling noodzakelijk. Deze beoordeling moet zijn gebaseerd op de bekende anamnese, symptomen en individuele omstandigheden van de menselijke of dierlijke bron en de plaatselijke endemische omstandigheden.
Voorbeelden van monsters, die overeenkomstig de voorschriften van deze paragraaf vervoerd kunnen worden, zijn

  • bloed- of urinemonsters ter controle van het chlorestorolgehalte, de bloedglucosepiegel, de hormoonspiegel of prostaatspecifieke anti-genen (PSA);
  • monsters nodig voor controle van orgaanfuncties, als hart-, lever- of nierfuncties, bij mensen of dieren met niet-besmettelijke ziekten of voor de controle van medicijnen bij de ziektebehandeling;
  • monsters genomen voor verzekerings- of beroepsmatige doeleinden, met het doel de aanwezigheid van drugs of alcohol vast te stellen;
  • zwangerschapstests;
  • biopsieën ten behoeve van het vaststellen van kanker; en
  • opsporing van antilichamen bij mensen of dieren bij afwezigheid van elke mogelijke verdenking van infectie (bijv. evaluatie van door een vaccin veroorzaakte immuniteit, diagnose van een auto-immuunziekte, etc.).

Opmerking 2: Bij vervoer door de lucht moeten verpakkingen voor monsters die op grond van deze paragraaf vrijgesteld zijn, voldoen aan de voorwaarden in a) t/m c).

 

2.2.62.1.5.9

Met uitzondering van:

  1. Medisch afval (UN-nummer 3291);
  2. Medische hulpmiddelen of apparatuur met of besmet met infectueuze stoffen van categorie A (UN-nummer 2814 of UN-nummer 2900); en
  3. Medische hulpmiddelen of apparatuur met of besmet met andere gevaarlijke goederen die aan de definitie van een andere klasse voldoen,

zijn (is) medische hulpmiddelen of apparatuur die mogelijk infectueuze stoffen bevatten (bevat) of daarmee mogelijk zijn (is) besmet en die met het oog op desinfectie, reiniging, sterilisatie, reparatie of beoordeling van de apparatuur worden (wordt) vervoerd, niet aan de bepalingen van het ADR, uitgezonderd die van deze paragraaf, onderworpen, indien zij zijn (is) verpakt in verpakkingen van zodanig ontwerp en zodanige constructie dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen (kan) breken of worden doorboord noch hun (haar) inhoud kunnen (kan) verliezen.

De verpakkingen moeten dusdanig zijn ontworpen dat wordt voldaan aan de constructievereisten van 6.1.4 of 6.6.4. Deze verpakkingen moeten voldoen aan de algemene verpakkingsvoorschriften van 4.1.1.1 en 4.1.1.2 en de medische hulpmiddelen en apparatuur tegenhouden bij een val vanaf een hoogte van 1,2 m.

De verpakkingen moeten zijn voorzien van de kenmerking "GEBRUIKT MEDISCH HULPMIDDEL" of "GEBRUIKTE MEDISCHE APPARATUUR". Worden oververpakkingen gebruikt, dan moeten deze op dezelfde wijze worden gekenmerkt, tenzij de vermelding zichtbaar blijft.

 

2.2.62.1.6

Gereserveerd

2.2.62.1.7

Gereserveerd

2.2.62.1.8

Gereserveerd

 

2.2.62.1.9

Biologische producten:
In de zin van het ADR worden biologische producten in de volgende groepen ingedeeld:

  1. producten, die in overeenstemming met de voorschriften van de bevoegde nationale autoriteit vervaardigd en verpakt zijn en die worden vervoerd voor uiteindelijke verpakking en verspreiding en die worden gebruikt voor de persoonlijke gezondheidszorg door medische beroepskrachten of individuele personen. Stoffen van deze groep zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR;
  2. producten, die niet onder a) vallen en waarvan bekend is of waarbij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij infectueuze stoffen bevatten en dat zij voldoen aan de criteria voor indeling in de categorie A of B. Stoffen van deze groep moeten al naar gelang de situatie in UN-nummer 2814, 2900 of 3373 worden ingedeeld.

Opmerking: Sommige toegelaten biologische producten vormen slechts in bepaalde gedeelten van de wereld een biologisch gevaar. In dat geval kunnen de bevoegde autoriteiten eisen dat deze biologische producten voldoen aan de plaatselijke eisen voor infectueuze stoffen of zij kunnen andere beperkingen opleggen.

 

2.2.62.1.10

Genetisch gemodificeerde micro-organismen en organismen
Genetisch gemodificeerde micro-organismen, die niet voldoen aan de definitie voor infectueuze stoffen moeten overeenkomstig 2.2.9 worden ingedeeld.

 

2.2.62.1.11

Ziekenhuis- of medisch afval

2.2.62.1.11.1

Ziekenhuis- of medisch afval, dat infectueuze stoffen van de categorie A bevat, moet al naar gelang in UN-nummer 2814 of 2900 worden ingedeeld. Ziekenhuis- of medisch afval, dat infectueuze stoffen van de categorie B bevat, moet in UN-nummer 3291 worden ingedeeld.

Opmerking: Medisch of klinisch afvalstoffen, ingedeeld onder nummer 18 01 03
(Afval van de gezondheidszorg bij mens of dier en/of verwant onderzoek

  • afval van verloskundige zorg, diagnose, behandeling of preventie van ziektes bij de mens
  • afval waarvan de inzameling en verwerking zijn onderworpen aan speciale richtlijnen teneinde infectie te voorkomen)

of onder nummer 18 02 02
(Afval van de gezondheidszorg bij mens of dier en/of verwant onderzoek

  • afval van onderzoek, diagnose, behandeling of preventie van ziektes bij dieren
  • afval waarvan de inzameling en verwerking zijn onderworpen aan speciale richtlijnen teneinde infectie te voorkomen)

Overeenkomstig de lijst van afvalstoffen als bijlage bij de Beschikking van de Commissie 2000/532/EG 5, zoals gewijzigd, moeten worden ingedeeld overeenkomstig de bepalingen, beschreven in deze paragraaf, gebaseerd op de medische of veterinaire diagnose van de betreffende patiënt of het betreffende dier.

 

2.2.62.1.11.2

Ziekenhuis- of medisch afval waarbij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er een kleine kans is op de aanwezigheid van infectueuze stoffen, moet in UN-nummer 3291 worden ingedeeld. Voor de indeling kan rekening worden gehouden met internationale, regionale of nationale catalogi van afvalstoffen.

Opmerking 1: De juiste vervoersnaam voor UN-nummer 3291 is: “ZIEKENHUISAFVAL, ONGESPECIFICEERD, N.E.G.” of “(BIO)MEDISCH AFVAL, N.E.G.” of “GEREGLEMENTEERD MEDISCH AFVAL, N.E.G".

Opmerking 2: Ondanks de hierboven vermelde indelingscriteria, zijn medische of klinische afvalstoffen, ingedeeld onder nummer 18 01 04
(Afval van de gezondheidszorg bij mens of dier en/of verwant onderzoek

  • afval van verloskundige zorg, diagnose, behandeling of preventie van ziektes bij de mens
  • afval waarvan de inzameling en verwerking niet zijn onderworpen aan speciale richtlijnen teneinde infectie te voorkomen)

of onder nummer 18 02 03
(Afval van de gezondheidszorg bij mens of dier en/of verwant onderzoek

  • afval van onderzoek en de diagnose, behandeling of preventie van ziektes bij dieren
  • afval waarvan de inzameling en verwerking niet zijn onderworpen aan speciale richtlijnen teneinde infectie te voorkomen)

overeenkomstig de lijst van afvalstoffen als bijlage bij de Beschikking van de Commissie 2000/532/EG *4, zoals gewijzigd, niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR.

*4 Beschikking van de Commissie 2000/532/EG van 3 mei 2000 ter vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen (vervangen door Richtlijn van het Europese Parlement en van de Raad 2006/12/EG , gepubliceerd in Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 114 van 27 april 2006, blz. 9) en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 226 van 6 september 2000, blz. 3). 

 

2.2.62.1.11.3

Op ontsmet ziekenhuis- of medisch afval, dat voorheen infectueuze stoffen heeft bevat, zijn de voorschriften van het ADR niet van toepassing, tenzij dat het voldoet aan de criteria voor de indeling in een andere klasse.

 

2.2.62.1.11.4

Ziekenhuis- en medisch afval van UN-nummer 3291 moet in verpakkingsgroep II worden ingedeeld.

 

2.2.62.1.12

Besmette dieren

2.2.62.1.12.1

Levende dieren mogen niet worden gebruikt om besmettelijke stoffen te verzenden, tenzij een dergelijke stof niet op een andere wijze verzonden kan worden. Levende dieren die opzettelijk geïnfecteerd zijn en waarvan bekend is of waarbij het vermoeden bestaat dat zij infectueuze stoffen bevatten, mogen alleen onder de door de bevoegde autoriteit goedgekeurde voorwaarden en overeenkomstig de erbij behorende regelingen voor diertransporten vervoerd worden

Opmerking: De goedkeuring van de bevoegde autoriteiten moet worden afgegeven op basis van de desbetreffende voorschriften voor het vervoer van levende dieren, rekening houdend met aspecten ten aanzien van gevaarlijke goederen. De autoriteiten die bevoegd zijn voor de vaststelling van de voorwaarden en voorschriften voor goedkeuring moeten op nationaal niveau worden gereguleerd.

Ingeval er geen goedkeuring voorligt van een bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij van het ADR, kan de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij van het ADR een goedkeuring erkennen die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van een land dat niet een Overeenkomstsluitende Partij van het ADR is.

Voorschriften voor het vervoer van levende dieren zijn bijvoorbeeld opgenomen in Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (Publicatieblad van de Europese Gemeenschap, nr. L 3 van 5 januari 2005), zoals gewijzigd.

 

2.2.62.1.12.2

Geschrapt

 

2.2.62.2

Niet ten vervoer toegelaten stoffen
Levende gewervelde of ongewervelde dieren mogen niet worden gebruikt om een infectueus agens te vervoeren, tenzij het onmogelijk is dit agens op een andere wijze te vervoeren of tenzij dit vervoer door de bevoegde autoriteit is toegelaten (zie 2.2.62.1.12.1).

 

2.2.62.3

Lijst van verzamelaanduidingen

2.2.62.3

 

GEVSTOF LOGO NEW

OVER   

Over Gevaarlijkestoffen.NET

Telefoon : +31 (0)850 470486

Mobiel : +31 (0)6 46855372
KvK Rotterdam : 24491885

BLIJF OP DE HOOGTE  
En schrijf je in voor onze nieuwsbrief