ADR Digitaal

Deel 2 - Hoofdstuk 2.2.9
Klasse 9 - Diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen

 

2.2.9

Klasse 9 Diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen

2.2.9.1

Criteria

2.2.9.1.1

De titel van klasse 9 omvat stoffen en voorwerpen die tijdens het vervoer een gevaar opleveren, dat niet onder de omschrijvingen van andere klassen valt.

 

2.2.9.1.2

De stoffen en voorwerpen van klasse 9 zijn als volgt onderverdeeld:

2.2.9.1.2

 

2.2.9.1.3

Definities en classificatie

De in klasse 9 ingedeelde stoffen en voorwerpen zijn genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.2.

De indeling van stoffen en voorwerpen die niet met name genoemd zijn in tabel A van hoofdstuk 3.2 onder de juiste positie van die tabel of van subsectie 2.2.9.3 moet geschieden in overeenstemming met de hierna volgende subsecties 2.2.9.1.4 t/m 2.2.9.1.8, 2.2.9.1.10, 2.2.9.1.11 en 2.2.9.1.14.

 

2.2.9.1.4

Stoffen die bij inademing van fijn stof de gezondheid in gevaar kunnen brengen, omvatten asbest alsmede asbesthoudende mengsels.

 

2.2.9.1.5

Stoffen en voorwerpen, waarbij in geval van brand dioxines kunnen ontstaan, omvatten polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's en PCT's) en polyhalogeenbifenylen en polyhalogeenterfenylen en mengsels die deze stoffen bevatten, alsmede voorwerpen, zoals transformatoren, condensatoren en andere voorwerpen, die zulke stoffen of mengsels bevatten.

Opmerking: Mengsels met een gehalte aan PCB of PCT van niet meer dan 50 mg/kg zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR.

2.2.9.1.6

Stoffen die brandbare dampen ontwikkelen, omvatten polymeren die brandbare vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 55 oC bevatten.

 

2.2.9.1.7

Lithiumbatterijen moeten aan de volgende voorschriften voldoen, tenzij het ADR anders bepaalt (bv. voor prototypes van batterijen en kleine productieseries conform bijzondere bepaling 310 of beschadigde batterijen conform bijzondere bepaling 376).

Opmerking: Voor LITHIUMBATTERIJEN GEPLAATST IN EEN LAADEENHEID (UN 3536), zie bijzondere bepaling 389 in hoofdstuk 3.3.

Cellen en batterijen, cellen en batterijen in apparatuur en cellen en batterijen verpakt met apparatuur die lithium in een willekeurige vorm bevatten, moeten naar gelang van het geval worden ingedeeld onder UN-nummer. 3090, 3091, 3480 of 3481.

Zij mogen, ingedeeld in deze positie, worden vervoerd indien aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

  1. Elke cel of batterij is van het type waarvan is aangetoond dat het voldoet aan de eisen van elke beproeving uit het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 38.3;
    Opmerking: Batterijen moeten van een ontwerptype zijn waarvan is aangetoond dat het voldoet aan de beproevingsvereisten van het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 38.3, ongeacht of de cellen waaruit zij bestaan van een beproefd type zijn.
  2. Elke cel en elke batterij moet zijn voorzien van een veiligheidsinrichting voor de ontluchting of moet zodanig ontworpen zijn dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet met geweld kan bezwijken;
  3. Elke cel en elke batterij moet zijn voorzien van een doeltreffend middel ter voorkoming van uitwendige kortsluitingen;
  4. Elke batterij die cellen of series van parellel geschakelde cellen bevat, moet zo nodig worden voorzien van doeltreffende middelen (bijv. dioden of smeltveiligheden) ter voorkoming van een gevaarlijke retourstroom;
  5. Cellen en batterijen moeten worden vervaardigd onder een kwaliteitsbeheerprogramma dat het volgende omvat:
    1. Een beschrijving van de organisatiestructuur en medewerkersverantwoordelijkheden wat betreft ontwerp en productkwaliteit;
    2. De betreffende instructies voor onderzoek en beproeving, kwaliteitscontrole, kwaliteitsborging en bedrijfsprocessen waarvan gebruik zal worden gemaakt;
    3. Procescontroles, met onder meer relevante verrichtingen bedoeld om interne kortsluiting tijdens de vervaardiging van cellen te voorkomen en vast te stellen;
    4. Kwaliteitsdossiers, zoals onderzoeksrapporten, beproevingsgegevens, kalibratiegegevens en certificaten; de beproevingsgegevens moeten worden bewaard en op verzoek aan de bevoegde autoriteit ter beschikking worden gesteld;
    5. Beoordelingen door de bedrijfsleiding ter waarborging van het doeltreffend functioneren van het kwaliteitsbeheersysteem;
    6. Een proces voor de controle van documenten en de revisie daarvan;
    7. Een middel voor het controleren van cellen of batterijen die niet met het in a) hierboven bedoelde beproefde type overeenkomen;
    8. Opleidingsprogramma's en kwalificatieprocedures voor het betreffende personeel; en
    9. Procedures om beschadiging van het eindproduct uit te sluiten.
  6. Lithiumbatterijen met zowel primaire cellen van metallisch lithium als oplaadbare lithium-ion-cellen niet ontworpen voor externe oplading (zie bijzondere bepaling 387 van hoofdstuk 3.3), moeten aan de volgende eisen voldoen:
    1. De oplaadbare lithium-ion-ellen kunnen alleen worden opgeladen via de primaire cellen van metallisch lithium;
    2. Het ontwerp van de lithium-ion-ellen voorkomt dat de cellen worden overladen;
    3. De batterij is beproefd als primaire lithiumbatterij;
    4. De cellen van de batterij zijn van het type waarvan is aangetoond dat ze voldoen aan de respectieve beproevingseisen van het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 38.3.
  7. Fabrikanten en aansluitende distributeurs van na 30 juni 2003 vervaardigde cellen of batterijen moeten de samenvatting van de beproeving als bedoeld in deel III, subsectie 38.3, paragraaf 38.3.5 van het Handboek beproevingen en criteria, ter beschikking stellen.

Opmerking: Interne kwaliteitsbeheerprogramma's mogen worden toegestaan. Certificering door een derde is niet vereist, maar de onder (i) t/m (ix) hierboven vermelde procedures moeten naar behoren gedocumenteerd en verifieerbaar zijn. Een beschrijving van het kwaliteitsbeheerprogramma moet desgevraagd aan de bevoegde autoriteit worden overgelegd.

Lithiumbatterijen zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR indien zij voldoen aan de vereisten van bijzondere bepaling 188 in hoofdstuk 3.3.

 

2.2.9.1.8

Reddingsmiddelen omvatten reddingsmiddelen en onderdelen van automobielen die voldoen aan de definities van de bijzondere bepalingen 235 of 296 van hoofdstuk 3.3.

 

2.2.9.1.9

Geschrapt

 

2.2.9.1.10

Milieugevaarlijke stoffen (aquatisch milieu)

 

2.2.9.1.10.1

Algemene definities

2.2.9.1.10.1.1

Milieugevaarlijke stoffen omvatten onder andere vloeibare of vaste stoffen, die verontreinigend zijn voor het aquatisch milieu, alsmede oplossingen en mengsels van dergelijke stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen).

In de zin van 2.2.9.1.10 betekent "stof" chemische elementen en verbindingen daarvan in natuurlijke toestand of verkregen door productieprocessen, met inbegrip van additieven, noodzakelijk om de stabiliteit van het product te behouden en verontreinigingen, afkomstig uit het gebruikte proces, maar met uitzondering van oplosmiddelen, die afgescheiden kunnen worden zonder de stabiliteit van de stof te beïnvloeden of de samenstelling te veranderen.

 

2.2.9.1.10.1.2

Het aquatisch milieu kan worden beschouwd in de zin van aquatische organismen die in het water leven, en het aquatische ecosysteem waarvan zij deel uitmaken9. Derhalve is de basis voor het identificeren van het gevaar de aquatische toxiciteit van de stof of het mengsel, alhoewel deze kan worden gemodificeerd op grond van nadere informatie over het degradatie- en bioaccumulatiegedrag.

9 Dit betreft niet waterverontreinigende stoffen waarvoor het nodig kan zijn om effecten te beschouwen die verder gaan dan het aquatisch milieu, zoals de beïnvloeding van de menselijke gezondheid, etc.

 

2.2.9.1.10.1.3

Terwijl de hierna volgende classificatieprocedure bedoeld is van toepassing te zijn op alle stoffen en mengsels, wordt erkend dat in sommige gevallen, bijv. voor metalen of slecht oplosbare anorganische verbindingen, een speciale leidraad nodig zal zijn10

10 Deze is te vinden in bijlage 10 van het GHS.

 

2.2.9.1.10.1.4

De volgende definities zijn van toepassing voor acronymen of termen gebruikt in deze sectie:

  • BCF: bioconcentratiefactor;
  • BOD: biochemisch zuurstofverbruik;
  • COD: chemisch zuurstofverbruik;
  • GLP: goede laboratoriumpraktijk
  • ECx: de concentratie verbonden met x% van de reactie;
  • EC50: de effectieve concentratie van de stof die 50% van de maximale reactie veroorzaakt;
  • ErC50: EC50 in de zin van reductie van groei;
  • Kow: verdelingscoëfficient octanol/water;
  • LC50 (letale concentratie voor 50%): de concentratie van een stof in water, die leidt tot de dood van 50% (de helft) in een groep van proefdieren;
  • L(E)C50 : LC50 of EC50;
  • NOEC: (Concentratie waarbij geen effect wordt waargenomen): de beproevingsconcentratie onmiddellijk onder de laagste beproefde concentratie met statistisch significant negatief gevolg. De NOEC heeft geen statistisch negatief gevolg vergeleken met de controle;
  • OESO Beproevingsrichtlijnen (“Test Guidelines”): beproevingsrichtlijnen gepubliceerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

 

2.2.9.1.10.2

Definities en eisen aan de gegevens

2.2.9.1.10.2.1

De basiselementen voor de classificatie van milieugevaarlijke stoffen (aquatisch milieu) zijn:

  1. Acute aquatische toxiciteit;
  2. Chronische aquatische toxiciteit;
  3. Vermogen tot of werkelijke bioaccumulatie; en
  4. Afbraak (biotisch of abiotisch) van organische chemicaliën.

 

2.2.9.1.10.2.2

Hoewel de voorkeur wordt gegeven aan gegevens van internationaal geharmoniseerde beproevingsmethoden, mogen in de praktijk ook gegevens van nationale methoden worden gebruik, voor zover zij geacht worden gelijkwaardig te zijn.

In het algemeen is overeengekomen dat gegevens over de giftigheid voor zoetwater- en zeewatersoorten als gelijkwaardige gegevens kunnen worden beschouwd en dat zij bij voorkeur moeten worden afgeleid door gebruik te maken van Beproevingsrichtlijnen van de OESO of van gelijkwaardige beproevingsmethoden overeenkomstig de principes van goede laboratoriumpraktijk (GLP).

Indien dergelijke gegevens niet beschikbaar zijn, moet de classificatie worden gebaseerd op de beste beschikbare gegevens.

 

2.2.9.1.10.2.3

Acute aquatische toxiciteit betekent de intrinsieke eigenschap van een stof om schadelijk te zijn voor een organisme bij een kortstondige blootstelling aan die stof.

Acuut gevaar (op korte termijn) voor doeleinden van classificatie betekent het gevaar van een chemisch product veroorzaakt door de acute toxiciteit daarvan voor een organisme gedurende een kortstondige aquatische blootstelling aan dat chemische product.

De acute aquatische toxiciteit moet normalerwijze worden bepaald door gebruik te maken van de 96-uurs LC50 voor vissen (Beproevingsrichtlijn 203 van de OESO of een equivalent), een 48-uurs EC50 voor een soort schaaldier (Beproevingsrichtlijn 202 van de OESO of een equivalent) en/of een 72- of 96-uurs EC voor een soort algen (Beproevingsrichtlijn 201 van de OESO of een equivalent). Deze soorten worden geacht alle aquatische organismen te kunnen vervangen en gegevens over andere soorten zoals Lemna (eendenkroos) mogen ook worden beschouwd indien de beproevingsmethode geschikt is.

 

2.2.9.1.10.2.4

Chronische aquatische toxiciteit betekent de intrinsieke eigenschap van een stof om negatieve gevolgen te veroorzaken voor aquatische organismen gedurende aquatische blootstellingen die zijn vastgesteld in verband met de levenscyclus van het organisme.

Gevaar op lange termijn voor doeleinden van classificatie betekent het gevaar van een chemisch product veroorzaakt door de chronische toxiciteit daarvan als gevolg van een blootstelling op lange termijn in het aquatische milieu.

Er zijn in mindere mate gegevens beschikbaar over chronische toxiciteit dan over acute toxiciteit en de reeks van beproevingsprocedures is minder ver genormaliseerd. Gegevens verkregen overeenkomstig de Beproevingsrichtlijnen 210 (vissen in vroege levensfase) of 211 (reproductie van de Daphnia) en 201 (afremming van algengroei) van de OESO zijn acceptabel.

Andere erkende en internationaal aanvaarde beproevingen mogen ook worden gebruikt. De NOEC's of andere gelijkwaardige ECx moeten worden gebruikt.

 

2.2.9.1.10.2.5

Bioaccumulatie betekent het netto resultaat van opname, transformatie en eliminatie van een stof in een organisme als gevolg van alle soorten blootstelling (d.w.z. lucht, water, bezinksel/bodem en voedsel).

Het bioaccumulatievermogen moet normalerwijze worden bepaald door gebruik te maken van de verdelingscoëfficient octanol/water, gewoonlijk weergegeven als log K ow, bepaald volgens Beproevingsricht-lijn 107, 117 of 123 van de OESO.

Terwijl deze een vermogen tot bioaccumulatie weergeeft, verschaft een experimenteel bepaalde bioconcentratiefactor (BCF) een betere maat en moet indien beschikbaar bij voorkeur worden gebruikt. Een BCF moet worden bepaald overeenkomstig de Beproevingsrichtlijn 305 van de OESO.

 

2.2.9.1.10.2.6

Afbraak (degradatie): de ontleding van organische moleculen in kleinere moleculen en eventueel in kooldioxide, water en zouten.

Afbraak in het milieu kan biotisch of abiotisch (bijv. hydrolyse) plaatsvinden en de gebruikte criteria geven dit feit weer. Snelle biologische afbraak wordt het eenvoudigst gedefinieerd met behulp van de beproevingen voor de biologische afbreekbaarheid (A-F) van Beproevingsrichtlijn 301 van de OESO. Een gemiddeld niveau bij deze beproevingen kan worden beschouwd als een aanwijzing van snelle afbraak in de meeste milieus.

Dit zijn beproevingen in zoet water en bijgevolg moet ook rekening worden gehouden met de resultaten van Beproevingsrichtlijn 306 van de OESO, die meer geschikt is voor het mariene milieu. Indien dergelijke gegevens niet beschikbaar zijn, wordt een verhouding BOD (5 dagen)/COD ≥ 0,5 beschouwd als aanwijzing voor een snelle afbraak.

Abiotische afbraak zoals hydrolyse, primaire afbraak, zowel abiotisch als biotisch, afbraak in niet-aquatische media en bewezen snelle afbraak in het milieu kunnen alle worden beschouwd bij het definiëren van snelle afbreekbaarheid11.

Stoffen worden beschouwd als snel afbreekbaar in het milieu te zijn indien aan de volgende criteria wordt voldaan:

  1. In onderzoeken naar de biologische afbreekbaarheid binnen 28 dagen worden de volgende niveaus van afbraak bereikt:
    1. Beproevingen gebaseerd op opgeloste organische koolstof: 70%;
    2. Beproevingen gebaseerd op zuurstofverbruik of vorming van kooldioxide: 60% van de theoretische maxima;
      Deze niveaus van biologische afbreekbaarheid moeten binnen 10 dagen na het begin van de afbraak worden bereikt; dit beginpunt komt overeen met het tijdstip waarop 10% van de stof is afgebroken, tenzij de stof is geïdentificeerd als een complexe stof met meerdere componenten met bestanddelen die qua structuur gelijksoortig zijn. In dit geval, en indien dit voldoende gegrond is, kan van het interval van 10 dagen worden afgezien en kan het niveau van het doorstaan van de beproeving op 28 dagen12 worden toegepast; of
  2. In die gevallen waarbij alleen gegevens van BOD en COD beschikbaar zijn, indien de verhouding van BOD5 /COD ≥ 0,5 is; of
  3. Indien ander overtuigend wetenschappelijk bewijsmateriaal beschikbaar is om aan te tonen dat de stof (biotisch of abiotisch) kan worden afgebroken in het aquatisch milieu tot een niveau hoger dan 70% in een periode van 28 dagen.

11 Een speciale leidraad voor de interpretatie van gegevens is opgenomen in hoofdstuk 4.1 en bijlage 9 van de GHS.
12 Zie hoofdstuk 4.1 en Aanhangsel 9, paragraaf A9.4.2.2.3 van het GHS.

 

2.2.9.1.10.3

Categorieën en criteria voor de classificatie van de stoffen

 

2.2.9.1.10.3.1

Stoffen moeten worden geclassificeerd als “milieugevaarlijke stoffen (aquatisch milieu)”, indien zij voldoen aan de criteria voor Acuut 1, Chronisch 1 of Chronisch 2, overeenkomstig Tabel 2.2.9.1.10.3.1. Deze criteria beschrijven gedetailleerd de categorieën voor de classificatie. Zij worden in de vorm van een diagram samengevat in Tabel 2.2.9.1.10.3.2.

Tabel 2.2.9.1.10.3.1: Categorieën voor stoffen die gevaarlijk zijn voor het aquatisch milieu (zie Opmerking 1)

 a) Acuut gevaar ( op korte termijn) voor het aquatisch milieu
Categorie Acuut 1: (zie Opmerking 2)  
96-uurs LC50 (voor vissen) ≤ 1 mg/l en/of
48-uurs EC50  (voor schaaldieren) ≤ 1 mg/l en/of
72- of 96-uurs ErC50 (voor algen of andere waterplanten) ≤ 1 mg/l (zie Opmerking 3)

 

b) Gevaar voor het aquatisch milieu op lange termijn (zie ook Figuur 2.2.9.1.10.3.1)

  1. Niet snel-afbreekbare stoffen (zie Opmerking 4) waarvoor voldoende gegevens over de chronische toxiciteit beschikbaar zijn
Categorie Chronisch 1: (zie Opmerking 2)  
Chronische NOEC of ECx (voor vissen) ≤ 0,1 mg/l en/of
Chronische NOEC of ECx (voor schaaldieren) 0,1 mg/l en/of
Chronische NOEC of ECx (voor algen of andere waterplanten) 0,1 mg/l
Categorie Chronisch 2:  
Chronische NOEC of ECx (voor vissen) 1 mg/l en/of
Chronische NOEC of ECx (voor schaaldieren) 1 mg/l en/of
Chronische NOEC of ECx (voor algen of andere waterplanten) 1 mg/l

 

  1. Snel-afbreekbare stoffen waarvoor voldoende gegevens over de chronische toxiciteit beschikbaar zijn
Categorie Chronisch 1: (zie Opmerking 2)  
Chronische NOEC of ECx (voor vissen) 0,01 mg/l en/of
Chronische NOEC of ECx (voor schaaldieren) 0,01 mg/l en/of
Chronische NOEC of ECx (voor algen of andere waterplanten) 0,01 mg/l
Categorie Chronisch 2:  
Chronische NOEC of ECx (voor vissen) 0,1 mg/l en/of
Chronische NOEC of ECx (voor schaaldieren) 0,1 mg/l en/of
Chronische NOEC of ECx (voor algen of andere waterplanten) 0,1 mg/l

 

  1. Stoffen waarvoor geen geschikte gegevens over de chronische toxiciteit beschikbaar zijn
Categorie Chronisch 1: (zie Opmerkingen 2)  
96-uurs LC50 (voor vissen) ≤ 1 mg/l en/of
48-uurs EC50  (voor schaaldieren) ≤ 1 mg/l en/of
72- of 96-uurs ErC50 (voor algen of andere waterplanten) ≤ 1 mg/l (zie Opmerking 3)
en de stof is niet snel afbreekbaar en/of de experimenteel bepaalde BCF is ≥ 500 (of, indien niet beschikbaar de log Kow ³ 4 is) (zie Opmerkingen 4 en 5).
Categorie Chronisch 2:  
96-uurs LC50 (voor vissen) >1 maar ≤ 10 mg/l en/of
48-uurs EC50  (voor schaaldieren) >1 maar ≤ 10 mg/l en/of
72- of 96-uurs ErC50 (voor algen of andere waterplanten) >1     maar     ≤     10     mg/l    
(zie Opmerking 3)

en de stof is niet snel afbreekbaar en/of de experimenteel bepaalde BCF is ≥ 500 (of, indien niet beschikbaar de log Kow ≥ 4 is)

(zie Opmerkingen 4 en 5).

 

  • Opmerking 1: De organismen vissen, schaaldieren en algen worden onderzocht als plaatsvervangende soorten die een reeks van trofische niveaus en taxa omvatten, en de beproevingsmethoden zijn in hoge mate genormaliseerd. Gegevens over andere organismen mogen ook in beschouwing worden genomen, onder de voorwaarde dat zij equivalente soorten en omslagpunten van de beproeving weergeven.
  • Opmerking 2: Indien stoffen als Acuut 1 en/of Chronisch 1 worden geclassificeerd, is het noodzakelijk tegelijkertijd een overeenkomstige factor M aan te geven (zie 2.2.9.1.10.4.6.4) om de sommatiemethode toe te passen.
  • Opmerking 3: Indien de toxiciteit voor algen ErC50 [= EC50 (groeisnelheid)] meer dan 100 maal lager wordt dan die van de volgende meest gevoelige soort en de resultaten in een classificatie alleen op dit effect zijn gebaseerd, dan moet worden overwogen of deze toxiciteit representatief is voor de toxiciteit voor waterplanten. Indien kan worden aangetoond dat dit niet het geval is, moet gebruikgemaakt worden van professionele beoordeling bij het besluit of classificatie zal worden toegepast. De classificatie moet gebaseerd zijn op de ErC50. Onder de omstandigheden waarbij de basis van de EC50 niet is aangegeven en geen ErC50 is geregistreerd, moet de classificatie worden gebaseerd op de laagste beschikbare EC50.
  • Opmerking 4: Een tekort aan snelle afbreekbaarheid is ofwel gebaseerd op een tekort aan gemakkelijke biologische afbreekbaarheid dan wel op andere bewijzen van een tekort aan snelle degradatie. Indien geen bruikbare gegevens over de afbreekbaarheid, ofwel experimenteel bepaald dan wel geschatte gegevens, beschikbaar zijn, moet de stof als niet snel afbreekbaar worden beschouwd.
  • Opmerking 5: Het vermogen tot bioaccumulatie, gebaseerd op een experimenteel afgeleide BCF ≥ 500 of, indien deze niet voorhanden is, een log Kow ≥ 4 onder voorwaarde dat de log Kow een geschikt identificerend element is voor het vermogen tot bioaccumulatie van de stof. Gemeten waarden van de log Kow gaan vóór de geschatte waarden en gemeten waarden van de BCF gaan vóór waarden van de log Kow.

a. Figuur 2.2.9.1.10.3.1: Categorieën van stoffen die op lange termijn gevaarlijk zijn voor het aquatisch milieu 

 2.2.9.1.10.3.1

2.2.9.1.10.3.2

Het schema voor de classificatie in Tabel 2.2.9.1.10.3.2 hieronder vat de criteria voor classificatie van stoffen samen.

Tabel 2.2.9.1.10.3.2: Schema voor de classificatie van stoffen gevaarlijk voor het aquatisch milieu

 2.2.9.1.10.3.2

  • Opmerking 1: De bandbreedte voor de acute toxiciteit gebaseerd op waarden van de L(E)C50 in mg/l voor vissen, schaaldieren en/of algen of andere waterplanten (of, indien geen gegevens uit beproevingen beschikbaar zijn) schatting op grond van Kwantitatieve Relaties tussen Structuur en Activiteit (QSAR Quantitative Structure Activity Relationships)13).
  • Opmerking 2: Stoffen worden geclassificeerd in de diverse categorieën “Chronisch”, tenzij er voldoende gegevens over chronische toxiciteit beschikbaar zijn voor alle drie trofische niveaus boven de oplosbaarheid in water of boven 1 mg/l. (“Voldoende” betekent dat de gegevens het omslagpunt, dat van belang is, voldoende afdekken. In het algemeen zou dit betekenen: gemeten beproevingsgegevens, maar teneinde niet noodzakelijke beproevingen te vermijden, is dit ook mogelijk op basis van geschatte gegevens van geval tot geval, bijv. (Q)SAR, of bij voor de hand liggende gevallen beoordeling door een deskundige).
  • Opmerking 3: De bandbreedte van de chronische toxiciteit gebaseerd op de NOEC of de equivalente ECx-waarden in mg/l voor vissen of schaaldieren of andere erkende meeteenheden voor de chronische toxiciteit.”.

 13 Een speciale leidraad is opgenomen in hoofdstuk 4.1, paragraaf 4.1.2.13 en Aanhangsel 9, sectie A9.6 van het GHS.

 

2.2.9.1.10.4

Categorieën en criteria voor de classificatie van mengsels

 

2.2.9.1.10.4.1

Het systeem voor classificatie van mengsels omvat de categorieën voor classificatie die voor stoffen worden gebruikt, d.w.z. categorieën Acuut 1 en Chronisch 1 en 2. Teneinde gebruik te maken van alle gegevens beschikbaar voor doeleinden van classificatie van de gevaren van het mengsel voor het aquatisch milieu, wordt de volgende aanname gedaan en waar nodig toegepast.

De ‘relevante bestanddelen’ van een mengsel zijn die, welke aanwezig zijn in een concentratie gelijk aan of hoger dan 0,1 massa-% voor bestanddelen geclassificeerd als Acuut en/of Chronisch 1 en gelijk aan of hoger dan 1% voor andere bestanddelen, tenzij de veronderstelling bestaat (bijv. in het geval van zeer giftige bestanddelen) dat een bestanddeel aanwezig is in een concentratie lager dan 0,1%, dat nog steeds relevant kan zijn voor de classificatie van het mengsel voor gevaren voor het aquatisch milieu.

 

2.2.9.1.10.4.2

Voor de classificatie van de gevaren voor het aquatisch milieu wordt een trapsgewijze benadering gebruikt, en deze hangt af van het type informatie beschikbaar voor het mengsel zelf en voor de bestanddelen daarvan. De trapsgewijze benadering omvat de volgende elementen:

  1. Classificatie gebaseerd op beproefde mengsels;
  2. Classificatie gebaseerd op principe van overbrugging;
  3. Het gebruik van "sommatie van geclassificeerde bestanddelen" en/of een "additiviteitsformule".

Figuur 2.2.9.1.10.4.2 hieronder schetst het te volgen proces.

2.2.9.1.10.4.2

 Figuur 2.2.9.1.10.4.2: Trapsgewijze benadering van de classificatie van mengsels van acute gevaren en gevaren op de lange termijn voor het aquatisch milieu

 

2.2.9.1.10.4.3

Classificatie van mengsels indien gegevens over de toxiciteit beschikbaar zijn voor het mengsel als geheel.

 

2.2.9.1.10.4.3.1

Indien het mengsel als geheel is onderzocht om de aquatische toxiciteit ervan vast te stellen, dan moet deze informatie worden gebruikt om het mengsel te classificeren overeenkomstig de criteria die zijn overeengekomen voor stoffen.

De classificatie is in normale gevallen gebaseerd op de gegevens voor vissen, schaaldieren en algen/planten (zie 2.2.9.1.10.2.3 en 2.2.9.1.10.2.4). Indien voldoende acute of chronische gegevens voor het mengsel als geheel ontbreken, moeten “overbruggingsprincipes” of “de sommatie methode” worden toegepast (zie 2.2.9.1.10.4.4 t/m 2.2.9.1.10.4.6).

 

2.2.9.1.10.4.3.2

Voor de classificatie van mengsels wat betreft gevaren op lange termijn is aanvullende informatie vereist over de afbreekbaarheid en in bepaalde gevallen over de bioaccumulatie. Er bestaan geen gegevens over afbreekbaarheid en bioaccumulatie van mengsels als geheel.

Beproevingsgegevens van afbreekbaarheid en bioaccumulatie voor mengsels worden niet gebruikt, omdat zij gewoonlijk moeilijk zijn te interpreteren, en zulke beproeving kan alleen zinvol zijn voor afzonderlijke stoffen.

 

2.2.9.1.10.4.3.3

Classificatie in categorie Acuut 1

  1. Indien voldoende beproevingsgegevens voor de acute toxiciteit (LC50 of EC50) voor het mengsel als geheel beschikbaar zijn waaruit blijkt dat de L(E)C50 ≤ 1 mg/l is:
    Classificeer het mengsel als Acuut 1 overeenkomstig Tabel 2.2.9.1.10.3.1 a);
  2. Indien beproevingsgegevens voor de acute toxiciteit (LC50- of EC50-waarde(n)) voor het mengsel als geheel beschikbaar zijn waaruit blijkt dat de L(E)C50-waarde(n) >1 mg/l is/zijn, of hoger dan de oplosbaarheid in water:
    Geen noodzaak om overeenkomstig het ADR voor acuut gevaar te classificeren.

 

2.2.9.1.10.4.3.4

Classificatie in categorieën Chronisch 1 en 2

  1. Indien voldoende beproevingsgegevens voor de chronische toxiciteit (ECx of NOEC) voor het mengsel als geheel beschikbaar zijn waaruit blijkt dat ECx of NOEC van het beproefde mengsel ≤ 1mg/l is:
    1. classificeer het mengsel als Chronisch 1 of 2 overeenkomstig Tabel 2.2.9.1.10.3.1 b) ii) (snel afbreekbaar) indien de beschikbare informatie de conclusie toelaat dat alle relevante ingrediënten van het mengsel snel afbreekbaar zijn;
    2. classificeer het mengsel als Chronisch 1 en 2 in alle andere gevallen overeenkomstig Tabel 2.2.9.1.10.3.1 b) i) (niet snel afbreekbaar);
  2. Indien voldoende beproevingsgegevens voor de chronische toxiciteit (ECx of NOEC) voor het mengsel als geheel beschikbaar zijn waaruit blijkt dat de ECx- of NOEC-waarde(n) van het beproefde mengsel > 1 mg/l is/zijn of hoger dan de oplosbaarheid in water:
    Geen noodzaak om overeenkomstig het ADR voor gevaar op lange termijn te classificeren.

 

2.2.9.1.10.4.4

Classificatie van mengsels indien gegevens over de toxiciteit voor het mengsel als geheel niet beschikbaar zijn: overbruggingsprincipes

 

2.2.9.1.10.4.4.1

Indien het mengsel zelf niet is beproefd om het gevaar voor het aquatisch milieu vast te stellen, maar er zijn voldoende gegevens beschikbaar over de afzonderlijke bestanddelen en gelijksoortige beproefde mengsels om de gevaren van het mengsel voldoende te karakteriseren, dan moeten deze gegevens worden gebruikt in overeenstemming met volgende overeengekomen overbruggingsregels.

Hierdoor wordt gegarandeerd dat bij het classificatieproces in de grootst mogelijke mate gebruik gemaakt wordt van de beschikbare gegevens voor het karakteriseren van de gevaren van het mengsel zonder de noodzaak van aanvullende dierproeven.

 

2.2.9.1.10.4.4.2

Verdunning
Indien een nieuw mengsel wordt gevormd door verdunning van een beproefd mengsel of van een stof met een verdunningsmiddel dat een gelijkwaardige of lagere aquatische gevarenclassificatie bezit dan het minst toxische originele bestanddeel en waarvan niet verwacht wordt dat dit de aquatische gevaren van andere bestanddelen beïnvloedt, dan moet het mengsel worden geclassificeerd als gelijkwaardig aan het originele beproefde mengsel of de originele beproefde stof.

Als alternatief mag de methode, uiteengezet in 2.2.9.1.10.4.5, worden toegepast.

 

2.2.9.1.10.4.4.3

Variatie tussen charges
De aquatische gevarenclassificatie van een beproefde charge uit de productie van een mengsel wordt geacht in wezen equivalent te zijn aan die van een andere niet beproefde charge uit de productie van hetzelfde commerciële product indien geproduceerd door of onder controle van dezelfde fabrikant, tenzij er redenen bestaan om aan te nemen dat er sprake is van significante verandering, zodat de aquatische gevarenclassificatie van de niet beproefde charge is veranderd. Indien het laatstgenoemde optreedt, is een nieuwe classificatie noodzakelijk.

 

2.2.9.1.10.4.4.4

Concentratie van mengsels die zijn geclassificeerd in de meest strenge classificatiecategorieën (Chronisch 1 en Acuut 1)

Indien een beproefd mengsel is geclassificeerd als Chronisch 1 en/of Acuut 1 en de bestanddelen van het mengsel die geclassificeerd zijn als Chronisch 1 en/of Acuut 1 verder worden geconcentreerd, dan moet het meer geconcentreerde niet beproefde mengsel in dezelfde classificatiecategorie worden geclassificeerd als het originele beproefde mengsel zonder aanvullende beproevingen.

 

2.2.9.1.10.4.4.5

Interpolatie binnen een categorie van toxiciteit
Indien in het geval van drie mengsels (A, B en C) met identieke bestanddelen de mengsels A en B zijn beproefd en in dezelfde categorie van toxiciteit vallen, en indien het niet beproefde mengsel C dezelfde toxicologisch actieve bestanddelen bevat als de mengsels A en B, maar concentraties van toxicologisch actieve bestanddelen bevat die tussen de concentraties in mengsels A en B liggen, dan wordt aangenomen dat mengsel C in dezelfde categorie valt als A en B.

 

2.2.9.1.10.4.4.6

In wezen gelijksoortige mengsels
Gegeven het volgende geval:

  1. twee mengsels:
    1. A + B;
    2. C + B;
  2. de concentratie van bestanddeel B is in wezen dezelfde in beide mengsels;
  3. de concentratie van bestanddeel A in mengsel i) is gelijk aan die van bestanddeel C in mengsel ii);
  4. de gegevens betreffende aquatische gevaren van A en C zijn beschikbaar en in wezen equivalent, d.w.z. ze vallen onder dezelfde gevarencategorie en er wordt niet verwacht dat zij de aquatische toxiciteit van B beïnvloeden,

indien mengsel i) of ii) al geclassificeerd is op basis van beproevingsgegevens, dan kan aan het andere mengsel dezelfde gevarencategorie worden toegekend.

 

2.2.9.1.10.4.5

Classificatie van mengsels indien toxiciteitsgegevens beschikbaar zijn van alle bestanddelen of slechts voor enkele bestanddelen van het mengsel

2.2.9.1.10.4.5.1

De classificatie van een mengsel moet zijn gebaseerd op de optelling van de concentraties van de geclassificeerde bestanddelen ervan. Het percentage van de bestanddelen geclassificeerd als "Acuut" of "Chronisch" wordt rechtstreeks ingevoerd in de sommatiemethode.

In 2.2.9.1.10.4.6.1 t/m 2.2.9.1.10.4.6.4 worden bijzonderheden van de sommatiemethode beschreven.

 

2.2.9.1.10.4.5.2

Mengsels kunnen worden samengesteld uit een combinatie van zowel bestanddelen die geclassificeerd zijn (als Acuut 1 en/of Chronisch 1 of 2) als die waarvoor geschikte beproevingsgegevens van de toxiciteit beschikbaar zijn. Indien geschikte beproevingsgegevens van de toxiciteit beschikbaar zijn voor meer dan één van de bestanddelen van het mengsel, dan moet de gecombineerde toxiciteit van die bestanddelen worden berekend, waarbij gebruikgemaakt wordt van de volgende additiviteitsformules a) of b) afhankelijk van de aard van de toxiciteitsgegevens:

  1. gebaseerd op de acute aquatische toxiciteit:

2.2.9.1.10.4.5.2

 

 

waarin:
Ci = concentratie van bestanddeel i (massa percentage);
L(E)C50i = LC50 of EC50 voor bestanddeel i (mg/l);
n = aantal bestanddelen waarbij i loopt van 1 t/m n;
L(E)C50m = L(E)C50 van het gedeelte van het mengsel met beproevingsgegevens

De berekende toxiciteit moet worden gebruikt om aan dat deel van het mengsel een acute gevarencategorie toe te kennen die vervolgens wordt gebruikt bij de toepassing van de sommatiemethode;

  1. gebaseerd op chronisch aquatische toxiciteit:

2.2.9.1.10.4.5.2 2

 

 

 

waarin:
Ci = concentratie van bestanddeel i (massa percentage) waardoor de snel afbreekbare bestanddelen worden afgedekt;

Cj = concentratie van bestanddeel j (massa percentage) waardoor de niet snel afbreekbare bestanddelen worden afgedekt;

NOECi = NOEC (of andere erkende maateenheden voor chronische toxiciteit) voor bestanddeel i waardoor de snel afbreekbare bestanddelen worden afgedekt, in mg/l;

NOECj = NOEC (of andere erkende maateenheden voor chronische toxiciteit) voor bestanddeel j waardoor de niet snel afbreekbare bestanddelen worden afgedekt, in mg/l;

n = aantal bestanddelen, waarbij i en j lopen van 1 t/m n;

EqNOECm = de equivalente NOEC van het deel van het mengsel met beproevingsgegevens;

De equivalente toxiciteit geeft derhalve het feit weer dat niet snel afbreekbare stoffen in een gevarencategorie worden geclassificeerd die “strenger” is dan snel afbreekbare stoffen.
De berekende equivalente toxiciteit moet worden gebruikt om aan dat gedeelte van het mengsel een categorie van gevaren op lange termijn toe te kennen, in overeenstemming met de criteria voor snel afbreekbare stoffen [Tabel 2.2.9.1.10.3.1 b) ii)], die vervolgens gebruikt wordt voor de toepassing van de sommatiemethode.

 

2.2.9.1.10.4.5.3

Indien de additiviteitsformule wordt toegepast voor een gedeelte van het mengsel, verdient het de voorkeur de toxiciteit van dit gedeelte van het mengsel zo te berekenen dat gebruik gemaakt wordt van toxiciteitswaarden voor elke afzonderlijke bestanddeel die betrekking hebben op dezelfde taxonimische groep (d.w.z. vis, schaaldieren of algen) en dan gebruik te maken van de hoogste toxiciteit (laagste waarde) verkregen (d.w.z. gebruikmaken van de meest gevoelige van de drie groepen).

Indien echter toxiciteitsgegevens voor elk bestanddeel niet beschikbaar zijn voor dezelfde taxonomische groep, dan moet de toxiciteitswaarde voor elk bestanddeel op dezelfde wijze worden gekozen als toxiciteitswaarden worden gekozen voor de classificatie van stoffen, d.w.z. de hogere giftigheid (van het meest gevoelige organisme voor de beproeving) wordt gebruikt. De berekende acute en chronische toxiciteit moet dan worden gebruikt om dit deel van het mengsel te classificeren als Acuut 1 en/of Chronisch 1 of 2, waarbij dezelfde criteria worden gebruikt als beschreven voor stoffen.

 

2.2.9.1.10.4.5.4

Indien een mengsel op meer dan één wijze is geclassificeerd, moet de methode die het meest conservatieve resultaat oplevert, worden gebruikt.

 

2.2.9.1.10.4.6

Sommatiemethode

2.2.9.1.10.4.6.1

Classificatieprocedure
In het algemeen doet een strengere classificatie voor mengsels een minder strenge classificatie te niet, d.w.z. een classificatie als Chronisch 1 doet een classificatie als Chronisch 2 te niet.

Dientengevolge is de classificatieprocedure reeds voltooid, indien het resultaat van de classificatie Chronisch 1 is.

Een strengere classificatie dan Chronisch 1 is niet mogelijk; het is derhalve niet nodig de classificatieprocedure verder voort te zetten.

 

2.2.9.1.10.4.6.2

Classificatie voor categorie Acuut 1

 

2.2.9.1.10.4.6.2.1

In de eerste plaats zijn alle bestanddelen geclassificeerd als Acuut 1 beschouwd. Indien de som van de concentraties (in %) van deze bestanddelen groter dan of gelijk aan 25 % is, moet het gehele mengsel worden geclassificeerd als Acuut 1.

Indien het resultaat van de berekening een classificatie van het mengsel als Acuut 1 is, dan is de classificatieprocedure voltooid.

 

2.2.9.1.10.4.6.2.2

De classificatie van mengsels wat betreft de acute gevaren gebaseerd op de sommatie van de
concentraties van geclassificeerde bestanddelen, is samengevat in onderstaande Tabel 2.9.1.10.4.6.2.2

Tabel 2.2.9.1.10.4.6.2.2: Classificatie van een mengsel wat betreft acute gevaren, gebaseerd op sommatie van geclassificeerde bestanddelen.

Som van de concentraties (in %) van bestanddelen geclassificeerd als: Mengsel geclassificeerd als:
Acuut 1 x M a  ≥ 25% Acuut 1
 a Zie voor een verklaring van de factor M, 2.2.9.1.10.4.6.4.

 

2.2.9.1.10.4.6.3

Classificatie voor de categorieën Chronisch 1 en 2

2.2.9.1.10.4.6.3.1

Eerst worden alle bestanddelen beschouwd die geclassificeerd zijn als Chronisch 1. Indien de som van de concentraties (in %) van deze bestanddelen groter dan of gelijk aan 25 % is, moet het mengsel worden geclassificeerd als Chronisch 1.

Indien het resultaat van de berekening een classificatie van het mengsel als Chronisch 1 is, dan is de classificatieprocedure voltooid.

 

2.2.9.1.10.4.6.3.2

In de gevallen waarin het mengsel niet wordt geclassificeerd als Chronisch 1, moet worden beschouwd of het mengsel kan worden geclassificeerd als Chronisch 2.

Een mengsel moet worden geclassificeerd als Chronisch 2 indien 10 maal de som van de concentraties (in %) van alle bestanddelen geclassificeerd als Chronisch 1 plus de som van de concentraties (in %) van alle bestanddelen geclassificeerd als Chronisch 2 groter dan of gelijk aan 25 % is. Indien het resultaat van de berekening een classificatie van het mengsel als Chronisch 2 is, dan is de classificatieprocedure voltooid.

 

2.2.9.1.10.4.6.3.3

De classificatie van mengsels wat betreft gevaren op de lange termijn, gebaseerd op deze sommatie van de concentraties van geclassificeerde bestanddelen, is samengevat in onderstaande Tabel 2.2.9.1.10.4.6.3.3.

Som van de concentraties (in %) van bestanddelen geclassificeerd als: Mengsel geclassificeerd als:
Chronisch 1 x Ma ≥ 25% Chronisch 1
(M x 10 x Chronisch 1) + Chronisch 2  ≥ 25% Chronisch 2
 Tabel 2.2.9.1.10.4.6.3.3: Classificatie van een mengsel wat betreft gevaren op lange termijn, gebaseerd op de sommatie van de concentraties van geclassificeerde bestanddelen
a Zie voor een verklaring van de factor M, 2.2.9.1.10.4.6.4.

 

2.2.9.1.10.4.6.4

Mengsels met zeer toxische bestanddelen
Bestanddelen geclassificeerd als Acuut 1 of Chronisch 1 met acute toxiciteiten ver beneden 1 mg/l en/of chronische toxiciteiten ver beneden 0,1 mg/l (indien deze niet snel afbreekbaar zijn) en 0,01 mg/l (indien deze snel afbreekbaar zijn) kunnen de toxiciteit van het mengsel beïnvloeden en aan deze bestanddelen wordt een groter gewicht toegekend bij de toepassing van de sommatiemethode.

Indien een mengsel bestanddelen bevat, die geclassificeerd zijn als Acuut 1 of Chronisch 1, moet de trapsgewijze benadering beschreven in 2.2.9.1.10.4.6.2 en 2.2.9.1.10.4.6.3 worden toegepast, waarbij gebruik gemaakt wordt van een gewogen som, verkregen door de concentraties van de bestanddelen van categorie Acuut 1 en Chronisch 1 met een factor te vermenigvuldigen in plaats van de percentages slechts op te tellen.

Dit betekent dat de concentraties van "Acuut 1" “en Chronisch 1” in de linker kolom van tabel 2.2.9.1.10.4.6.2.2 en de concentratie van "Chronisch 1" in de linker kolom van tabel 2.2.9.1.10.4.6.3.3 worden vermenigvuldigd met de juiste vermenigvuldigingsfactor.
De vermenigvuldigingsfactoren die op deze bestanddelen moeten worden toegepast, zijn gedefinieerd, waarbij gebruik gemaakt wordt van de toxiciteitswaarde, zoals samengevat in onderstaande tabel 2.2.9.1.10.4.6.4.

Teneinde een mengsel te classificeren dat bestanddelen bevat van categorie Acuut 1 en/of Chronisch 1, moet degene die classificeert derhalve worden geïnformeerd over de waarde van de factor M, teneinde de sommatiemethode toe te passen.

In plaats daarvan mag de additiviteitsformule (zie 2.2.9.1.10.4.5.2) worden gebruikt indien gegevens van de toxiciteit voor alle zeer toxische bestanddelen in het mengsel beschikbaar zijn en er overtuigend bewijs bestaat, dat alle andere bestanddelen, met inbegrip van die waarvoor geen specifieke gegevens over acute en/of chronische toxiciteit beschikbaar zijn een lage of geen toxiciteit vertonen en niet aanmerkelijk bijdragen tot de gevaren van het mengsel voor het milieu.

2.2.9.1.10.4.6.4

2.2.9.1.10.4.6.5

Classificatie van mengsels met bestanddelen waarvoor geen enkele bruikbare informatie beschikbaar is.

In het geval dat geen bruikbare informatie over acute en/of chronische aquatische toxiciteit voor één of meer relevante bestanddelen beschikbaar is, wordt geconcludeerd dat aan het mengsel geen definitieve gevarencategorie(ën) kan/kunnen worden toegekend.

In deze situatie moet het mengsel alleen op grond van de bekende bestanddelen worden geclassificeerd.

 

2.2.9.1.10.5

 

Stoffen en mengsels die als milieugevaarlijke stoffen (aquatisch milieu) zijn geclassificeerd op grond van Verordening (EG) nr. 1272/20083
Indien gegevens voor de classificatie overeenkomstig de criteria van 2.2.9.1.10.3 en 2.2.9.1.10.4 niet beschikbaar zijn,

  1. moet een stof of mengsel worden geclassificeerd als een milieugevaarlijke stof (aquatisch milieu), indien daaraan de categorie(ën) Aquatisch Acuut 1, Aquatisch Chronisch 1 of Aquatisch Chronisch 2 zijn toegekend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/20083;
  2. mogen deze stoffen en mengsels worden beschouwd als niet-milieugevaarlijke stof (aquatisch milieu) indien daaraan niet een dergelijke categorie is toegekend overeenkomstig de genoemde Verordening.

3 Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008, betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006, bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, nr. L 353 van 31 december 2008, blz. 1-1355.

 

2.2.9.1.10.6

Indeling van stoffen of mengsels die geclassificeerd zijn als milieugevaarlijke stoffen (aquatisch milieu), overeenkomstig de bepalingen van 2.2.9.1.10.3, 2.2.9.1.10.4 of 2.2.9.1.10.5.
Stoffen of mengsels die geclassificeerd zijn als milieugevaarlijke stoffen (aquatisch milieu) die niet elders als stoffen van het ADR zijn geclassificeerd, moeten worden aangeduid als

UN-nummer 3077 MILIEUGEVAARLIJKE VASTE STOF, N.E.G.
UN-nummer 3082 MILIEUGEVAARLIJKE VLOEISTOF, N.E.G.

Zij moeten worden ingedeeld in verpakkingsgroep III.

 

2.2.9.1.11

Genetisch gemodificeerde micro-organismen en organismen
Genetisch gemodificeerde micro-organismen (GGMO’s) en genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) zijn micro-organismen en organismen waarin het genetisch materiaal opzettelijk veranderd is door middel van gentechnische methoden op een wijze die niet in de natuur voorkomt.

Zij moeten in klasse 9 worden ingedeeld (UN-nummer 3245), indien zij niet voldoen aan de definitie van giftige stoffen of van infectueuze stoffen, maar ze de mogelijkheid bezitten dieren, planten of microbiologische stoffen op een wijze te veranderen die normaliter niet het resultaat is van de natuurlijke reproductie.

  • Opmerking 1: GGMO’s en GGO’s, die infectueus zijn, zijn stoffen van klasse 6.2, UN-nummer 2814, 2900 of 3373.
  • Opmerking 2: Op GGMO’s of GGO’s zijn de voorschriften van het ADR niet van toepassing indien zij door de bevoegde autoriteiten van het land van oorsprong, doorvoer en bestemming zijn toegelaten voor gebruik14.
  • Opmerking 3: Genetisch gemodificeerde levende dieren die volgens de huidige stand van de wetenschappelijke kennis geen bekend pathogeen effect hebben op mensen, dieren en planten en worden vervoerd in houders die op veilige wijze voorkomen dat de dieren ontsnappen en ongeoorloofd toegang tot hen wordt verkregen, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van het ADR. De voorschriften van de internationale luchtvaartorganisatie IATA voor het vervoer door de lucht van levende dieren kunnen worden gebruikt als richtsnoeren voor geschikte houders voor het vervoer van levende dieren.
  • Opmerking 4: Levende dieren mogen niet worden gebruikt om genetisch gemodificeerde micro-organismen, ingedeeld in klasse 9, te vervoeren, tenzij het onmogelijk is deze op een andere wijze te vervoeren. Genetisch gemodificeerde levende dieren moeten worden vervoerd volgens de bepalingen en voorwaarden van de bevoegde autoriteiten van de landen van oorsprong en bestemming.

14 Zie Deel C van de Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, Nr. L 106 van 17 april 2001, blz. 8 t/m 14) en Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Publicatieblad van de Europese Unie, nr. L 268 van 18 oktober 2003, blz. 1-23), waarin de vergunningsprocedure voor de Europese Unie is vastgelegd.

 

2.2.9.1.12

 Geschrapt

2.2.9.1.13

Verwarmde stoffen
Verwarmde stoffen zijn stoffen die in vloeibare toestand bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan 100 oC en, voor zover zij een vlampunt bezitten, bij een temperatuur lager dan hun vlampunt worden vervoerd of ten vervoer worden aangeboden. Zij omvatten ook vaste stoffen die bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan 240 oC worden vervoerd of ten vervoer worden aangeboden.

Opmerking: Verwarmde stoffen mogen alleen in klasse 9 worden ingedeeld indien zij niet vallen onder de criteria van een andere klasse.

Andere stoffen en voorwerpen die tijdens het vervoer een gevaar vertonen maar die niet onder de definitie van een andere klasse vallen.

 

2.2.9.1.14

De volgende diverse stoffen die niet voldoen aan de definities van een andere klasse zijn ingedeeld in klasse 9:

  • een vaste ammoniumverbinding met een vlampunt lager dan 60 C
  • een dithioniet met gering gevaar
  • een zeer vluchtige vloeistof
  • een stof die schadelijke dampen afgeeft
  • stoffen die allergenen bevatten
  • chemische reagentiasets en sets voor eerste hulp
  • elektrische dubbellaags condensatoren (met een energieopslagcapaciteit van meer dan 0,3 Wh)
  • voertuigen, verbrandingsmotoren en -machines
  • voorwerpen die diverse gevaarlijke goederen bevatten

Opmerking: De volgende stoffen en voorwerpen, genoemd in de VN-modelbepalingen, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR:

  • UN 1845 kooldioxide, vast (droogijs)15,
  • UN 2216 vismeel (visafval), gestabiliseerd,
  • UN 2807 gemagnetiseerd materiaal,
  • UN 3334 vloeistof, onderworpen aan de voorschriften voor de luchtvaart, n.e.g., en
  • UN 3335 vaste stof, onderworpen aan de voorschriften voor de luchtvaart, n.e.g.

15 Voor UN-nummer 1845 kooldioxide, vast (droogijs) gebruikt als koelmiddel, zie 5.5.3.

 

2.2.9.1.15

 

 

2.2.9.2

Niet ten vervoer toegelaten stoffen en voorwerpen
De volgende stoffen en voorwerpen zijn niet ten vervoer toegelaten:

  • Lithiumbatterijen die niet voldoen aan de voorwaarden van de bijzondere bepalingen 188, 230, 310, 636 of 670 van hoofdstuk 3.3;
  • lege, ongereinigde opvanghouders (opvangbakken) voor apparaten zoals transformatoren, condensatoren en hydraulische apparaten, die stoffen bevatten, welke ingedeeld zijn onder UN-nummer 2315, 3151, 3152 of 3432.

 

2.2.9.3

Lijst van posities

2.2.9.3 FINAL

 

GEVSTOF LOGO NEW

OVER   

Over Gevaarlijkestoffen.NET

Telefoon : +31 (0)850 470486

Mobiel : +31 (0)6 46855372
KvK Rotterdam : 24491885

BLIJF OP DE HOOGTE  
En schrijf je in voor onze nieuwsbrief