ADR Digitaal

Deel 4 - Hoofdstuk 4.3

GEBRUIK VAN VASTE TANKS (TANKWAGENS), AFNEEMBARE TANKS, TANKCONTAINERS EN WISSELLAADTANKS MET METALEN RESERVOIRS EN BATTERIJWAGENS EN GASCONTAINERS MET VERSCHEIDENE ELEMENTEN (MEGC's)

Opmerking: Voor transporttanks en UN-gascontainers met verscheidene elementen (MEGC’s) zie hoofdstuk 4.2; voor tanks van vezelgewapende kunststof, zie hoofdstuk 4.4; voor druk/vacuümtanks (voor afvalstoffen), zie hoofdstuk 4.5.

 

4.3.1

Toepassingsgebied

4.3.1.1

Voorschriften die de gehele breedte van de pagina innemen, zijn zowel van toepassing op vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks en batterijwagens, als op tankcontainers, wissellaadtanks en MEGC's.
Voorschriften die zich in een enkele kolom bevinden, zijn alleen van toepassing op:

  • vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks en batterijwagens (linker kolom);
  • tankcontainers, wissellaadtanks en MEGC's (rechter kolom).

 

4.3.1.2

Deze voorschriften zijn van toepassing op:

vaste tanks (tankwagens),
afneembare tanks en
batterijwagens

 

tankcontainers, wissellaadtanks en MEGC’s

die worden gebruikt voor het vervoer van gasvormige, vloeibare, poedervormige of korrelvormige stoffen.

 

4.3.1.3

In sectie 4.3.2 zijn de voorschriften opgesomd, die van toepassing zijn op vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks, tankcontainers en wissellaadtanks, bestemd voor het vervoer van stoffen van alle klassen, en op batterijwagens en MEGC's, bestemd voor het vervoer van gassen van klasse 2.

De secties 4.3.3 en 4.3.4 bevatten bijzondere bepalingen die een aanvulling vormen op of een afwijking inhouden van de voorschriften van sectie 4.3.2.

 

4.3.1.4

Voor voorschriften betreffende de constructie, uitrusting, typegoedkeuring, beproevingen en kenmerking, zie hoofdstuk 6.8.

 

4.3.1.5

Voor overgangsvoorschriften betreffende de toepassing van dit hoofdstuk, zie

1.6.3.

 

1.6.4.

4.3.2

Voorschriften van toepassing op alle klassen

4.3.2.1

Gebruik

4.3.2.1.1

Een aan het ADR onderworpen stof mag alleen in vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks, batterijwagens, tankcontainers, wissellaadtanks en MEGC's worden vervoerd, indien er volgens 4.3.3.1.1 en 4.3.4.1.1 in kolom (12) van tabel A in hoofdstuk 3.2 een tankcode is aangegeven.

 

4.3.2.1.2

Het vereiste type tank, batterijwagen en MEGC wordt in kolom (12) van tabel A in hoofdstuk 3.2 gegeven in de vorm van een code. De aldaar opgegeven identificatiecodes bestaan uit letters of cijfers in een bepaalde volgorde.

De verklaring van de vier delen van de code wordt gegeven in 4.3.3.1.1 (indien de te vervoeren stof tot klasse 2 behoort) en in 4.3.4.1.1 (indien de te vervoeren stof tot de klassen 1 en 3 t/m 9 behoort).*

* Voor tanks bestemd voor het vervoer van stoffen van de klassen 1, 5.2 of 7 wordt een uitzondering gemaakt (zie 4.3.4.1.3).

 

4.3.2.1.3

Het volgens 4.3.2.1.2 vereiste type stemt overeen met de minst stringente constructie-eisen die voor de betrokken gevaarlijke stof aanvaardbaar zijn, tenzij in dit hoofdstuk of in hoofdstuk 6.8 anders is bepaald.

Het is mogelijk tanks te gebruiken die beantwoorden aan codes die een hogere minimale berekeningsdruk, of stringentere voorschriften voor vul- of losopeningen of voor veiligheidskleppen/-inrichtingen voorschrijven (zie 4.3.3.1.1 voor klasse 2 en 4.3.4.1.1 voor de klassen 3 t/m 9).

 

4.3.2.1.4

Voor bepaalde stoffen zijn tanks, batterijwagens of MEGC's onderworpen aan aanvullende voorschriften, die als bijzondere bepalingen in kolom (13) van tabel A in hoofdstuk 3.2 zijn opgenomen.

 

4.3.2.1.5

Tanks, batterijwagens en MEGC's mogen slechts worden beladen met de gevaarlijke stoffen, voor het vervoer waarvan ze volgens 6.8.2.3.1 zijn toegelaten, en die in aanraking met de materialen van het reservoir, de pakkingen, de uitrusting, alsook de beschermende bekleding niet gevaarlijk kunnen reageren (zie "gevaarlijke reactie" in 1.2.1), gevaarlijke producten kunnen vormen of deze materialen merkbaar kunnen verzwakken.*

* Het kan noodzakelijk zijn advies in te winnen bij de fabrikant van de stof en de bevoegde autoriteit voor advies omtrent de verenigbaarheid van de stof met de materialen van de tank, batterijwagen of MEGC.

 

4.3.2.1.6

Levensmiddelen mogen niet vervoerd worden in tanks die gebruikt worden voor gevaarlijke goederen, tenzij de noodzakelijke maatregelen zijn genomen ter voorkoming van enig gevaar voor de volksgezondheid.

 

4.3.2.1.7

Het tankdossier moet worden bewaard door de eigenaar of de exploitant, die in staat moet zijn deze documentatie op verzoek van de bevoegde autoriteit te verschaffen. Het tankdossier moet gedurende de gehele levensduur van de tank worden bijgehouden en 15 maanden worden bewaard nadat de tank buiten bedrijf is gesteld.

Bij verandering van eigenaar of exploitant gedurende de levensduur van de tank moet het tankdossier onverwijld worden overgedragen aan de nieuwe eigenaar of exploitant.

Kopieën van het tankdossier of alle noodzakelijke documenten moeten ter beschikking worden gesteld aan de deskundige voor beproevingen, inspecties en controles van tanks in overeenstemming met 6.8.2.4.5 of 6.8.3.4.18, in verband met periodieke onderzoeken of buitengewone onderzoeken.

 

4.3.2.2

Vullingsgraad

4.3.2.2.1

De volgende vullingsgraden mogen niet worden overschreden bij tanks, bestemd voor het vervoer van stoffen die bij normaal voorkomende temperaturen vloeibaar zijn:

  1. voor brandbare stoffen, milieugevaarlijke stoffen en brandbare milieugevaarlijke stoffen zonder bijkomende gevaarseigenschappen (bv. giftig, bijtend), in tanks, voorzien van een be- en ontluchtingsinrichting of van veiligheidskleppen (ook indien deze worden voorafgegaan door een breekplaat):

4.3.2.2.1 1

  1. voor giftige of bijtende stoffen (al dan niet brandbaar of milieugevaarlijk), in tanks, voorzien van een be- en ontluchtingsinrichting of van veiligheidskleppen (ook indien deze worden voorafgegaan door een breekplaat):

4.3.2.2.1 2

  1. voor brandbare stoffen, voor milieugevaarlijke stoffen en voor zwak giftige of zwak bijtende stoffen (al dan niet brandbaar of milieugevaarlijk), in hermetisch gesloten tanks zonder veiligheidsinrichting:

4.3.2.2.1 3

  1. voor zeer giftige of giftige, sterk bijtende of bijtende stoffen (al dan niet brandbaar of milieugevaarlijk), in hermetisch gesloten tanks zonder veiligheidsinrichting:

4.3.2.2.1 4

 

4.3.2.2.2

In deze formules is α de gemiddelde kubieke uitzettingscoëfficiënt van de vloeistof tussen 15 oC en
50 oC, d.w.z. bij een maximale temperatuursverandering van 35 oC.

α wordt volgens de volgende formule berekend:

4.3.2.2.2 1

waarin d15 en d50 de relatieve dichtheden van de vloeistof zijn bij respectievelijk 15 oC en 50 oC. tF is de gemiddelde temperatuur van de vloeistof tijdens het vullen. 

 

4.3.2.2.3

Het bepaalde in 4.3.2.2.1 a) t/m d) hiervoren is niet van toepassing op tanks waarvan de inhoud tijdens het vervoer door een verwarmingsinstallatie op een temperatuur van meer dan 50 oC wordt gehouden.

In dit geval moet de vullingsgraad bij het begin van het vervoer zodanig zijn en moet de temperatuur op zodanige wijze geregeld worden, dat de tank tijdens het vervoer nooit voor meer dan 95% is gevuld en de vultemperatuur niet wordt overschreden.

 

4.3.2.2.4

Reservoirs bestemd voor het vervoer van stoffen in vloeibare toestand, vloeibaar gemaakte gassen
of sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen, die niet door scheidingswanden of slingerschotten in
afdelingen met een inhoud van ten hoogste 7500 liter zijn verdeeld, moeten tot ten minste 80 % of
ten hoogste 20 % van hun inhoud zijn gevuld.

Deze bepaling is niet van toepassing op:

  • vloeistoffen met een kinematische viscositeit bij 20 °C van ten minste 2680 mm2/s;
  • gesmolten stoffen met een kinematische viscositeit bij de vultemperatuur van ten minste 2680
    mm2/s;
  • UN 1963 HELIUM, STERK GEKOELD, VLOEIBAAR en UN 1966 WATERSTOF, STERK
    GEKOELD, VLOEIBAAR.

 

4.3.2.3

Bedrijf

4.3.2.3.1

De dikte van de wanden van het reservoir moet gedurende de gehele gebruiksduur groter zijn dan of
gelijk zijn aan de minimum waarde, voorgeschreven in:

4.3.2.3.2

 

 

 

 

De tankcontainers/MEGC's moeten tijdens het vervoer zodanig op het voertuig zijn geladen, dat zij door de inrichtingen van het voertuig of van de tankcontainer/MEGC zelf voldoende beschermd zijn tegen schokken in dwars- en lengterichting, alsmede tegen kantelen.* Indien de tankcontainers/MEGC’s, met inbegrip van de bedrijfsuitrusting, zodanig zijn geconstrueerd, dat zij bestand zijn tegen schokken of tegen kantelen, is het niet nodig ze op deze wijze te beschermen.

* Voorbeelden van wijzen van bescherming van reservoirs:

  • De bescherming tegen botsingen van opzij kan bijvoorbeeld bestaan uit in de lengterichting aangebrachte profielen, die het reservoir aan beide zijden ter hoogte van de middellijn beschermen;
  • De bescherming tegen kantelen kan bijvoorbeeld bestaan uit versterkingsringen of profielen die dwars op het frame zijn bevestigd;
  • De bescherming tegen stoten van achter kan bijvoorbeeld bestaan uit een stootbalk of uit een frame.

 

4.3.2.3.3

Bij het vullen en lossen van de tanks, batterijwagens en MEGC's moeten geschikte maatregelen worden genomen om te verhinderen dat gevaarlijke hoeveelheden gassen en dampen vrijkomen.

De tanks, batterijwagens en MEGC's moeten zodanig gesloten zijn dat van de inhoud niets ongecontroleerd naar buiten kan treden.

De openingen van tanks met onderlossing moeten gesloten worden door middel van schroefdoppen, blindflenzen of andere even doelmatige voorzieningen.

Na het vullen moet de vuller ervoor zorgen dat alle sluitingsinrichtingen van de tanks, batterijwagens en MEGC's in een gesloten positie zijn en dat er geen lekkage optreedt. Dit geldt ook voor het bovenste gedeelte van de standpijp.

 

4.3.2.3.4

Indien meerdere afsluitinrichtingen achter elkaar zijn aangebracht, moet de inrichting die zich het dichtst bij de vervoerde stof bevindt, het eerst worden gesloten.

 

4.3.2.3.5

Tijdens het vervoer mogen zich aan de buitenzijde van de tanks geen gevaarlijke resten van de vervoerde stof bevinden.

 

4.3.2.3.6

Stoffen die op gevaarlijke wijze met elkaar kunnen reageren, mogen niet worden vervoerd in direct aan elkaar grenzende compartimenten van de tank.

Stoffen die gevaarlijk met elkaar kunnen reageren mogen in direct aan elkaar grenzende compartimenten van de tank worden vervoerd, indien deze compartimenten zijn gescheiden door een wand waarvan de dikte gelijk aan of groter is dan die van de tank. Zij mogen ook worden vervoerd in compartimenten van eenzelfde tank indien de beladen compartimenten zijn gescheiden door een lege ruimte of een leeg compartiment.

 

4.3.2.3.7

Vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks, batterijwagens, tankcontainers, wissellaadtanks en MEGC’s mogen niet gevuld of ten vervoer aangeboden worden nadat de uiterste termijn voor beproeving of onderzoek zoals voorgeschreven in 6.8.2.4.2, 6.8.3.4.6 en 6.8.3.4.12 is verstreken.
Vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks, batterijwagens, tankcontainers, wissellaadtanks en MEGC’s die evenwel zijn gevuld vóór het verstrijken van de termijn vastgesteld voor het laatste periodieke onderzoek mogen:

  1. binnen een termijn van ten hoogste een maand na het verstrijken van deze termijn worden vervoerd;
  2. tenzij met toestemming van de bevoegde autoriteit, binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na het verstrijken van deze termijn, om de terugzending van gevaarlijke goederen of resten mogelijk te maken, teneinde deze op een passende wijze te verwijderen of te recycleren. Een verwijzing naar deze vrijstelling moet in het vervoersdocument worden opgenomen.

 

4.3.2.4

Lege, ongereinigde tanks, batterijwagens en MEGC's

Opmerking: Voor lege, ongereinigde tanks, batterijwagens en MEGC's kunnen de bijzondere bepalingen TU1, TU2, TU4, TU16 en TU35 van 4.3.5 van toepassing zijn.

 

4.3.2.4.1

Tijdens het vervoer mogen zich aan de buitenzijde van de tanks geen gevaarlijke resten van de vervoerde stof bevinden.

 

4.3.2.4.2

Lege, ongereinigde tanks, baterijwagens en MEGC’s moeten, om tot het vervoer te kunnen worden toegelaten, op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen inzake de dichtheid bieden als in gevulde toestand.

 

4.3.2.4.3

Indien lege, ongereinigde tanks, batterijwagens en MEGC's niet op dezelfde wijze gesloten worden en niet in dezelfde mate dicht zijn als in volle toestand en indien niet aan de voorschriften van het ADR kan worden voldaan, moeten zij, met gepaste zorg voor voldoende veiligheid naar de dichtstbijzijnde geschikte plaats worden vervoerd waar reiniging of reparatie kan plaatsvinden.

Het vervoer is voldoende veilig indien geschikte maatregelen zijn genomen om een gelijkwaardig veiligheidsniveau te waarborgen, dat in verhouding staat tot de voorschriften van het ADR en om het ongecontroleerd vrijkomen van de gevaarlijke stoffen te voorkomen.

 

4.3.2.4.4

Ongereinigde lege vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks, batterijwagens, tankcontainers, wissellaadtanks en MEGC's mogen na het verstrijken van de in 6.8.2.4.2 en 6.8.2.4.3 vastgestelde termijnen worden vervoerd, teneinde aan het onderzoek te worden onderworpen.

 

4.3.3

Bijzondere bepalingen van toepassing op klasse 2

4.3.3.1

De codering en hiërarchie van tanks

4.3.3.1.1

De codering van tanks, batterijwagens en MEGC's
De vier delen van de in kolom (12) van tabel A in hoofdstuk 3.2 gegeven codes (tankcodes) hebben de volgende betekenissen:

DEEL  OMSCHRIJVING TANKCODE
1 Type tank, batterijwagen of MEGC

C    =    tank, batterijwagen of MEGC voor samengeperste gassen

P    =    tank, batterijwagen of MEGC voor vloeibaar gemaakte gassen of opgeloste gassen

R    =    tank voor sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen

2 Berekeningsdruk X    =    waarde   van   de   minimale   beproevingsdruk   van   toepassing volgens de tabel in 4.3.3.2.5 of 22   =   minimale berekeningsdruk in bar
3 Openingen (zie 6.8.2.2
en 6.8.3.2)

B     =    tank met openingen voor het vullen of lossen aan de onderzijde met 3 sluitingen; of batterijwagen of MEGC met openingen onder de vloeistofspiegel of voor samengeperste gassen

C    =    tank met openingen voor het vullen of lossen aan de bovenzijde met 3    sluitingen, met onder de vloeistofspiegel    alleen reinigingsopeningen

D    =    tank met openingen voor het vullen of lossen aan de bovenzijde met 3 sluitingen; of batterijwagen of MEGC zonder     openingen onder de vloeistofspiegel

4 Veiligheidskleppen/- inrichtingen

N    =    tank,   batterijwagen   of   MEGC   met   veiligheidsklep   volgens 6.8.3.2.9 of 6.8.3.2.10 die niet hermetisch gesloten is

H    =    hermetisch gesloten tank, batterijwagen of MEGC (zie 1.2.1)

Opmerking 1: De in kolom (13) van tabel A in hoofdstuk 3.2 voor bepaalde gassen aangegeven bijzondere bepaling TU17 betekent dat het gas alleen in een batterijwagen of MEGC mag worden vervoerd, waarvan de elementen uit houders bestaan.
Opmerking 2: De in kolom (13) van tabel A in hoofdstuk 3.2 voor bepaalde gassen aangegeven bijzondere bepaling TU40 betekent dat het gas alleen in een batterijwagen of MEGC mag worden vervoerd waarvan de elementen uit naadloze houders bestaan
Opmerking 3: De op de tank zelf of op de plaat aangegeven drukken moeten ten minste de waarde "X" of die van de minimale berekeningsdruk hebben.

 

4.3.3.1.2

Tankhiërarchie

Tankcode    Andere tankcode(s) die voor de stoffen onder deze tankcode zijn toegestaan
C*BN C#BN, C#CN, C#DN, C#BH, C#CH, C#DH
C*BH  C#BH, C#CH, C#DH
C*CN C#CN, C#DN, C#CH, C#DH
C*CH C#CH, C#DH
C*DN C#DN, C#DH
C#DH C#DH
P*BN P#BN, P#CN, P#DN, P#BH, P#CH, P#DH
P*BH P#BH, P#CH, P#DH
P*CN P#CN, P#DN, P#CH, P#DH
P*CH P#CH, P#DH
P*DN P#DN, P#DH
P*DH P#DH
R*BN R#BN, R#CN, R#DN
R*CH R#CN, R#DN
R*DN R#DN

Het door # voorgestelde cijfer moet gelijk zijn aan of groter zijn dan het door * voorgestelde cijfer.

Opmerking: In deze hiërarchie wordt geen rekening gehouden met bijzondere bepalingen (zie 4.3.5 en 6.8.4) voor elke positie.

 

4.3.3.2

Voorwaarden voor het vullen en beproevingsdrukken

4.3.3.2.1

Voor tanks, bestemd voor het vervoer van samengeperste gassen, moet de beproevingsdruk ten minste het 1,5-voudige van de in 1.2.1 voor drukhouders gedefinieerde bedrijfsdruk bedragen.

 

4.3.3.2.2

De beproevingsdruk voor tanks, bestemd voor het vervoer van:

  • onder hoge druk vloeibaar gemaakte gassen; en
  • opgeloste gassen

moet zodanig zijn dat, indien het reservoir tot de hoogst toelaatbare vullingsgraad gevuld is, de druk van de stof bij 55 oC, voor tanks met warmte-isolerende bescherming, of bij 65 oC, voor tanks zonder warmte-isolerende bescherming, de beproevingsdruk niet overschrijdt.

 

4.3.3.2.3

Voor tanks, bestemd voor het vervoer van onder lage druk vloeibaar gemaakte gassen, is de voorgeschreven beproevingsdruk:

  1. indien de tank is voorzien van een warmte-isolerende bescherming, ten minste gelijk aan de dampdruk van de vloeistof bij 60 oC, verminderd met 0,1 MPa (1 bar), maar ten minste 1 MPa (10 bar);
  2. Indien de tank niet is voorzien van een warmte-isolerende bescherming, ten minste gelijk aan de dampdruk van de vloeistof bij 65 oC, verminderd met 0,1 MPa (1 bar), maar ten minste 1 MPa (10 bar).

De hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud wordt als volgt berekend:
Hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud = 0,95 x dichtheid van de vloeistoffase bij 50 oC (in kg/l)

Bovendien mag de dampfase beneden 60 oC niet verdwijnen.
Indien de diameter van de tanks niet meer dan 1,5 meter bedraagt, worden voor de beproevingsdruk en de maximale vullingsgraad de waarden volgens verpakkingsinstructie P200 in 4.1.4.1 toegepast.

 

4.3.3.2.4

Voor tanks, bestemd voor het vervoer van sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte, gassen moet de beproevingsdruk ten minste 1,3 x de op de tank aangegeven hoogst toelaatbare bedrijfsdruk zijn, maar ten minste 300 kPa (3 bar) (overdruk); voor tanks met een vacuümisolatie moet de beproevingsdruk gelijk zijn aan ten minste 1,3 x de met 100 kPa (1 bar) verhoogde waarde van de hoogst toelaatbare bedrijfsdruk.

 

4.3.3.2.5

Tabel van de gassen en gasmengsels, die in vaste tanks (tankwagens), batterijwagens, afneembare tanks, tankcontainers en MEGC's mogen worden vervoerd, waarin de minimale beproevingsdruk voor de tanks, en, indien van toepassing, de hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud is aangegeven.
Voor gassen en gasmengsels, die onder een n.e.g.-positie zijn ingedeeld, moeten de waarden voor de beproevingsdruk en de hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud worden voorgeschreven door de deskundige, erkend door de bevoegde autoriteit.

Indien tanks, bestemd voor het vervoer van samengeperste of onder hoge druk vloeibaar gemaakte gassen onderworpen zijn aan een beproevingsdruk lager dan die, welke in de tabel staat aangegeven, en de tanks zijn voorzien van een warmte-isolerende bescherming, kan de door de bevoegde autoriteit erkende deskundige een lagere hoogst toelaatbare massa voorschrijven, onder voorwaarde dat de druk van de stof in de tank bij 55 oC de op de tank ingeslagen beproevingsdruk niet overschrijdt.

  MINIMALE  BEPROEVINGSDRUK VOOR TANKS HOOGST TOELAATBARE
MASSA VAN  DE VULLING PER LITER  INHOUD
 
Met warmte- isolerende
bescherming
Zonder warmte- isolerende bescherming

UNNR

 BENAMING CLASS
CODE
MPa bar MPa bar kg
1001 Acetyleen (ethyn), opgelost 4 F alleen in batterijwagens en MEGC's samengesteld uit houders
1002 Lucht, samengeperst 1 A zie 4.3.3.2.1      
1003 Lucht, sterk gekoeld, vloeibaar 3 O zie 4.3.3.2.4      
1005 Ammoniak, watervrij 2 TC 2,6 26 2,9 29 0,53
1006 Argon, samengeperst 1 A zie 4.3.3.2.1      
1008 Boortrifluoride 2 TC 22,5
30
225
300
22,5
30
225
300
0,715
0,86
1009 Broomtrifluormethaan (Koelgas R 13B1) 2 A 12 120 4,2
12
25
42
120
250
1,50
1,13
1,44
1,60
  Butadienen,
gestabiliseerd
(1,2-butadieen) of
  1 10 1 10 0,59
1010     1 10 1 10 0,55
  Butadienen,
gestabiliseerd
(1,3-butadieen) of
2 F
 

Mengsel van butadienen en koolwaterstof, gestabiliseerd

1 10 1 10 0,50
1011 Butaan 2 F 1 10 1 10 0,51
1012 1-Buteen of 2F 1 10 1 10 0,53
  trans-2-buteen of   1 10 1 10 0,54
  cis-2-buteen of   1 10 1 10 0,55
  mengsel van butenen   1 10 1 10 0,50
1013 Kooldioxide 2 A 19
22,5
190
225
19
25
190
250
0,73
0,78
0,66
0,75
1016 Koolmonoxide, samengeperst 1 TF zie 4.3.3.2.1      
1017 Chloor 2 TOC 1,7 17 1,9 19 1,25
8
1018 Chloordifluormethaan (Koelgas R 22) 2 A 2,4 24 2,6 26 1,03
1612 Mengsel van hexaethyltetrafosfaat en samengeperst gas 1 T zie 4.3.3.2.1
1749 Chloortrifluoride 2 TOC 3 30 3 30 1,40
1858 Hexafluorpropeen
(Koelgas R 1216)
2A 1,7 17 1,9 19 1,11
1859 Siliciumtetrafluoride 2 TC 20
30
200
300
20
30
200
300
0,74
1,10
1860 Vinylfluoride,
gestabiliseerd
2 F 12
22,5
120
225
25 250 0,58
0,65
0,64
1912 Mengsel van methylchloride en dichloormethaan 2 F 1,3 13 1,5 15 0,81
1913 Neon, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4
1951 Argon, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4
1952 Mengsel van
ethyleenoxide en kooldioxide met ten hoogste 9%
ethyleenoxide
2 A 19
25
190
250
19
25
190
250
0,66
0,75
1953 Samengeperst gas,
giftig, brandbaar,
n.e.g. a
1 TF zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
1954 Samengeperst gas, brandbaar, n.e.g. 1 F zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
1955 Samengeperst gas,
giftig, n.e.g. a
1 T zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
1956 Samengeperst gas,
n.e.g.
1 A zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
1957 Deuterium,
samengeperst
1 F zie 4.3.3.2.1
1958 1,2-Dichloor-
1,1,2,2-tetrafluor
ethaan (Koelgas R 114)
2 A 1 10 1 10 1,3
1959 1,1-Difluorethyleen (Koelgas R 1132a) 2 F 12
22,5
120
225
25 250 0,66
0,78
0,77
1961 Ethaan, sterk gekoeld, vloeibaar 3 F zie 4.3.3.2.4
1962 Ethyleen (etheen) 2 F 12
22,5
120
225
22,5
30
225
300
0,25
0,36
0,34
0,37
1963 Helium, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4                                                          9
1964 Mengsel van koolwaterstofgassen, samengeperst, n.e.g. 1 F zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2

 

UNNR BENAMING CLASS CODE MINIMALE BEPROEVINGSDRUK VOOR TANKS HOOGST TOELAATBARE
MASSA VAN  DE VULLING PER LITER  INHOUD
Met warmte- isolerende bescherming Zonder warmte- isolerende
bescherming
MPa bar MPa bar kg
1982 Tetrafluormethaan (Koelgas R 14) 2 A 20
30
200
300
20
30
200
300
0,62
0,94
1983 1-Chloor-2,2,2-trifluorethaan (Koelgas R 133a) 2 A 1 10 1 10 1,18
1984 Trifluormethaan (Koelgas R 23) 2 A 19
25
190
250
19
25
190
250
0,92
0,99
0,87
0,95
2034 Mengsel van waterstof en methaan, samengeperst 1 F zie 4.3.3.2.1
2035 1,1,1-Trifluorethaan (Koelgas R 143a) 2 F 2,8 28 3,2 32 0,79
2036 Xenon 2 A 12 120 13 130 1,30
1,24
2044 2,2-Dimethylpropaan 2 F 1 10 1 10 0,53
2073 Ammoniak, oplossing in water, met een dichtheid bij 15 oC lager dan 0,880 kg/l, 4 A          
met meer dan 35% en ten hoogste 40% ammoniak 1 10 1 10 0,80
met meer dan 40% en ten hoogste 50% ammoniak   1,2 12 1,2 12 0,77
2187 Kooldioxide, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4
2189 Dichloorsilaan 2 TFC 1 10 1 10 0,90
2191 Sulfurylfluoride 2 T 5 50 5 50 1,1
2193 Hexafluorethaan (Koelgas R 116) 2 A 16
20
160
200
20 200 1,28
1,34
1,10
2197 Joodwaterstof, watervrij 2 TC 1,9 19 2,1 21 2,25
2200 Propadieen, gestabiliseerd 2 F 1,8 18 2,0 20 0,50
2201 Distikstofoxide, sterk gekoeld, Vloeibaar 3 O zie 4.3.3.2.4
2203 Siliciumwaterstof (silaan) b 2 F 22,5
25
225
250
22,5
25
225
250
0,32
0,36
2204 Carbonylsulfide 2 TF 2,7 27 3,0 30 0,84
2417 Carbonylfluoride 2 TC 20
30
200
300
20
30
200
300
0,47
0,70
2419 Broomtrifluorethyleen 2 F 1 10 1 10 1,19
2420 Hexafluoraceton 2 TC 1,6 16 1,8 18 1,08
2422 Octafluor-2-buteen (Koelgas R 1318) 2 A 1 10 1 10 1,34
2424 Octafluorpropaan (Koelgas R 218) 2 A 2,1 21 2,3 23 1,07
2451 Stikstoftrifluoride 2 O 20
30
200
300
20
30
200
300
0,50
0,75
2452 Ethylacetyleen, gestabiliseerd 2 F 1 10 1 10 0,57
2453 Ethylfluoride (Koelgas R 161) 2 F 2,1 21 2,5 25 0,57
2454 Methylfluoride (Koelgas R 41) 2 F 30 300 30 300 0,36
2517 1-Chloor-1,1-difluorethaan (Koelgas R 142b) 2 F 1 10 1 10 0,99
2591 Xenon, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4
2599 Azeotropisch mengsel van chloortrifluormethaan en trifluormethaan, dat ca. 60% chloortrifluormethaan bevat (Koelgas R 503) 2 A 3,1
4,2
10
31
42
100
3,1
4,2
10
31
42
100
0,11
0,21
0,76
0,20
0,66
2601 Cyclobutaan 2 F 1 10 1 10 0,63
2602 Azeotropisch mengsel van dichloordifluormethaan en
1,1-difluorethaan, dat ca. 74%
dichloordifluormethaan bevat (Koelgas R 500)
2 A 1,8 18 2 20 1,01
2901 Broomchloride 2 TOC 1 10 1 10 1,50
3057 Trifluoracetylchloride 2 TC 1,3 13 1,5 15 1,17
3070 Mengsel van ethyleenoxide en dichloordifluormethaan met ten
hoogste 12,5% ethyleenoxide
2 A 1,5 15 1,6 16 1,09
3083 Perchlorylfluoride 2 TO 2,7 27 3,0 30 1,21
3136 Trifluormethaan, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4
3138 Mengsel van ethyleen, acetyleen en propyleen, sterk gekoeld, vloeibaar, met ten minste 71,5% ethyleen, ten hoogste 22,5% acetyleen en ten hoogste 6% propyleen 3 F zie 4.3.3.2.4
3153 Perfluor(methylvinyl)ether 2 F 1,4 14 1,5 15 1,14
3154 Perfluor(ethylvinyl)ether 2 F 1 10 1 10 0,98
3156 Samengeperst gas, oxiderend, n.e.g. 1 O zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
3157 Vloeibaar gemaakt gas, oxiderend, n.e.g. 2 O zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
3158 Sterk gekoeld, vloeibaar gas, n.e.g. 3 A zie 4.3.3.2.4
3159 1,1,1,2-Tetrafluorethaan (Koelgas R 134a) 2 A 1,6 16 1,8 18 1,04
3160 Vloeibaar gemaakt gas, giftig, brandbaar, n.e.g. a 2 TF zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
3161 Vloeibaar gemaakt gas, brandbaar, n.e.g. 2 F zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
3162 Vloeibaar gemaakt gas, giftig,
n.e.g. a
2 T zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
3163 Vloeibaar gemaakt gas, n.e.g. 2 A zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
3220 Pentafluorethaan (Koelgas R 125) 2 A 4,1 41 4,9 49 0,95
3252 Difluormethaan (Koelgas R 32) 2 F 3,9 39 4,3 43 0,78
3296 Heptafluorpropaan (Koelgas R 227) 2 A 1,4 14 1,6 16 1,20
3297 Mengsel van ethyleenoxide en chloortetrafluorethaan met ten hoogste 8,8% ethyleenoxide 2 A 1 10 1 10 1,16
3298 Mengsel van ethyleenoxide en pentafluorethaan met ten hoogste 7,9% ethyleenoxide 2 A 2,4 24 2,6 26 1,02
3299 Mengsel van ethyleenoxide en tetrafluorethaan met ten hoogste 5,6% ethyleenoxide 2 A 1,5 15 1,7 17 1,03
3300 Mengsel van ethyleenoxide en kooldioxide met meer dan 87% ethyleenoxide 2 TF 2,8 28 2,8 28 0,73
3303 Samengeperst gas, giftig, oxiderend, n.e.g.a 1 TO zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
3304 Samengeperst gas, giftig, bijtend, n.e.g.a 1 TC zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
3305 Samengeperst gas, giftig, brandbaar, bijtend, n.e.g.a 1 TFC zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
3306 Samengeperst gas, giftig, oxiderend, bijtend, n.e.g.a 1 TOC zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
3307 Vloeibaar gemaakt gas, giftig, oxiderend, n.e.g.a 2 TO zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
3308 Vloeibaar gemaakt gas, giftig, bijtend, n.e.g.a 2 TC zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
3309 Vloeibaar gemaakt gas, giftig, brandbaar, bijtend, n.e.g.a 2 TFC zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
3310 Vloeibaar gemaakt gas, giftig, oxiderend, bijtend, n.e.g.a 2 TOC zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
3311 Sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas, oxiderend, n.e.g. 3 O zie 4.3.3.2.4
3312 Sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas, brandbaar, n.e.g. 3 F zie 4.3.3.2.4
3318 Ammoniak, oplossing in water, met een relatieve dichtheid bij 15 oC lager dan 0,880, met meer dan 50% ammoniak 4 TC zie 4.3.3.2.2
3337 Koelgas R 404A 2 A 2,8 28 3,2 32 0,84
3338 Koelgas R 407A 2 A 2,8 28 3,2 32 0,95
3339 Koelgas R 407B 2 A 3,0 30 3,3 33 0,95
3340 Koelgas R 407C 2 A 2,7 27 3,0 30 0,95
3354 Insecticide, gas, brandbaar, n.e.g. 2 F zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
3355 Insecticide, gas, giftig, brandbaar, n.e.g. 2 TF zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3

 

4.3.3.3

Bedrijf

4.3.3.3.1

Indien tanks, batterijwagens of MEGC's voor verschillende gassen zijn toegelaten, moet een wijziging van het gebruik daarvan de handelingen lossen, reinigen, en ontgassen omvatten in de mate, vereist voor het veilig functioneren.

 

4.3.3.3.2

Bij het ten vervoer aanbieden van tanks, batterijwagens of MEGC's mogen uitsluitend de aanduidingen volgens 6.8.3.5.6 die betrekking hebben op het gas, dat op dat ogenblik is geladen of dat tevoren is gelost, zichtbaar zijn; alle aanduidingen die betrekking hebben op andere gassen, moeten worden afgedekt.

 

4.3.3.3.3

De elementen van een batterijwagen of MEGC mogen slechts één en hetzelfde gas bevatten.

4.3.3.3.4

Indien de uitwendige overdruk de weerstand van de tank tegen uitwendige druk zou kunnen overstijgen (bijv. als gevolg van lage omgevingstemperaturen), moeten passende maatregelen worden genomen om tanks die onder lage druk vloeibaar gemaakte gassen vervoeren tegen het risico van vervorming te beschermen, bijv. door ze te vullen met stikstof of een ander inert gas om voldoende inwendige druk te in stand te houden.

 

4.3.3.4

Gereserveerd

 

4.3.3.5

 

 

De werkelijke verblijftijd moet op basis van onderstaande factoren worden bepaald voor elk traject van een tankcontainer waarin een sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas wordt vervoerd:

a.  de referentie-verblijftijd voor het te vervoeren sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gas (zie 6.8.3.4.10) zoals aangegeven op de plaat die wordt genoemd in 6.8.3.5.4;
b.  de werkelijke vuldichtheid;
c.  de werkelijke vuldruk;
d.  de laagste ingestelde druk van de drukbegrenzende voorziening(en);
e.  de afbraak van de isolatie 44.

Opmerking: ISO 21014:2006 ‘Cryogene vaten – Cryogene isolatieprestatie’ voorziet in methoden voor het bepalen van de isolatieprestatie van cryogene vaten alsmede in een methode voor het berekenen van de verblijftijd.

De datum waarop de werkelijke verblijftijd eindigt, moet worden opgenomen in het vervoersdocument (zie 5.4.1.2.2. d)).

 

 

 

4.3.3.6

 

 

Tankcontainers mogen niet ten vervoer worden aangeboden:

  1. met zoveel vrije ruimte boven de stof dat schommelen van de stof in de transporttank waarschijnlijk een ontoelaatbare hydraulische kracht veroorzaakt;
  2. wanneer zij lekken;
  3. wanneer zij in zulk een mate beschadigd zijn dat de goede staat van de transporttank of zijn hef- of bevestigingsvoorzieningen kunnen zijn aangetast;
  4. tenzij de bedrijfsuitrusting is gecontroleerd en in goede bedrijfsklare staat is bevonden;
  5. tenzij de werkelijke verblijftijd voor het te vervoeren sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gas is vastgesteld;
  6. tenzij de duur van het vervoer, rekening houdende met eventuele vertragingen die zouden kunnen optreden, niet meer bedraagt dan de werkelijke verblijftijd;
  7. tenzij de druk constant is en is verlaagd tot een dusdanig peil dat de werkelijke verblijftijd kan worden bereikt*1

*1 Een leidraad wordt geboden in het document “Methods to prevent the premature activation of relief devices on tanks”, beschikbaar op www.eiga.eu, van de European Industrial Gases Association (EIGA).

 

 

4.3.4

Bijzondere bepalingen, van toepassing op de klassen 1 en 3 t/m 9

4.3.4.1

Codering, gerationaliseerde benadering en tankhiërarchie

4.3.4.1.1

Codering van tanks
De vier delen van de in kolom (12) van tabel A in hoofdstuk 3.2 aangegeven codes (tankcodes) hebben de volgende betekenis:

DEEL OMSCHRIJVING TANKCODE
1 Type tank

L =  tank voor stoffen in vloeibare toestand (vloeistoffen of vaste stoffen die in gesmolten toestand ten vervoer worden aangeboden)

S =  tank voor stoffen in vaste toestand (in poedervorm of korrelig)

2 Berekeningsdruk G =  minimale berekeningsdruk volgens de algemene voorschriften  van 6.8.2.1.14; of 1,5; 2,65; 4; 10; 15 of 21 =  minimale berekeningsdruk in bar (zie 6.8.2.1.14)
3 Openingen (zie 6.8.2.2.2)

A =   tank met openingen voor het vullen of lossen aan de onderzijde met 2 sluitingen

B  =  tank met openingen voor het vullen of lossen aan de onderzijde met 3 sluitingen

C =   tank met openingen voor het vullen of lossen aan de bovenzijde, met  onder de vloeistofspiegel alleen reinigingsopeningen

D =   tank met openingen voor het vullen of lossen aan de bovenzijde, zonder openingen onder de vloeistofspiegel

4 Veiligheidskleppen/
-inrichtingen

V =  tank met een be- en ontluchtingsinrichting volgens 6.8.2.2.6, maar zonder beschermende voorziening tegen vlaminslag; of niet explosieschokdrukbestendige tank

F =  tank met een be- en ontluchtingsinrichting volgens 6.8.2.2.6,
voorzien  van een beschermende voorziening tegen
vlaminslag volgens 6.8.2.2.6; of explosieschokdrukbestendige tank

N = tank zonder een be- en ontluchtingsinrichting volgens
6.8.2.2.6 en niet hermetisch gesloten

H =  hermetisch gesloten tank (zie 1.2.1)

 

4.3.4.1.2

Gerationaliseerde benadering voor toekenning van ADR-tankcodes aan groepen van stoffen en tankhiërarchie.
Opmerking: Bepaalde stoffen en groepen van stoffen zijn niet in de gerationaliseerde benadering opgenomen, zie 4.3.4.1.3.

GERATIONALISEERDE BENADERING
Tankcode Groep van toegestane stoffen
  Klasse Classificatiecode Verpakkingsgroep
VLOEISTOFFEN:
LGAV 3 F2 III
9 M9 III
LGBV 4.1 F2 II III
5.1 O1 III
9 M6 III
M11 III
en de groepen van de voor tankcode LGAV toegestane stoffen
LGBF 3 F1 II, dampdruk bij 50 oC £ 1,1 bar
F1 III
D II, dampdruk bij 50 oC <, 1,1 bar
D III
en de groepen van de voor de tankcodes LGAV en LGBV toegestane stoffen
L1,5BN 3 F1 II, dampdruk bij 50 °C>1,1 bar
F1 III, vlampunt <23 °C, viskeus, dampdruk bij 50 °C >1,1 bar, kookpunt >35 °C
D II, dampdruk bij 50 °C > 1,1 bar
en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV en LGBF toegestane stoffen
L4BN 3 F1 I
III, kookpunt < 35 °C
FC III
D I
5.1 O1 I, II
OT1 I
8 C1 II, III
C3 II, III
C4 II, III
C5 II, III
C7 II, III
C8 II, III
C9 II, III
C10 II, III
CF1 II
CF2 II
CS1 II
CW1 II
CW2 II
CO1 II
CO2 II
CT1 II, III
CT2 II, III
  CFT II
9 M11 III
en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF en L1,5BN toegestane stoffen
L4BH 3 FT1 II, III
FT2 II
FC II
FTC II
6.1 T1 II, III
T2 II, III
T3 II, III
T4 II, III
T5 II, III
T6 II, III
T7 II, III
TF1 II
TF2 II, III
TF3 II
TS II
TW1 II
TW2 II
TO1 II
TO2 II
TC1 II
  TC2 II
TC3 II
TC4 II
TFC II
6.2 I3 II
I4  
9 M2 II
en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN en L4BN toegestane stoffen
L4DH 4.2 S1 II, III
S3 II, III
ST1 II, III
ST3 II, III
SC1 II, III
SC3 II, III
4.3 W1 II, III
WF1 II, III
WT1 II, III
WC1 II, III
8 CT1 II, III
en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN en L4BH toegestane stoffen
L10BH 8 C1 I
C3 I
C4 I
  C5 I
C7 I
C8 I
C9 I
C10 I
CF1 I
CF2 I
CS1 I
CW1 I
CW2 I
CO1 I
CO2 I
CT1 I
CT2 I
COT I
en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN en L4BH toegestane stoffen
L10CH 3 FT1 I
FT2 I
FC I
FTC I
6.1* T1 I
T2 I
  T3 I
T4 I
T5 I
T6 I
T7 I
TF1 I
TF2 I
TF3 I
TS I
TW1 I
TO1 I
TC1 I
TC2 I
TC3 I
TC4 I
TFC I
TFW I
en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BH en L10BH toegestane stoffen
* Aan stoffen met een LC50 lager dan of gelijk aan 200 ml/m3 en een verzadigde dampconcentratie hoger dan of gelijk aan 500 LC50 moet tankcode L15CH worden toegekend.
L10DH 4.3 W1 I
WF1 I
WT1 I
  WC1 I
WFC I
5.1 OTC I
8 CT1 I
en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BH, L4DH, L10BH en L10CH toegestane stoffen
L15CH 3 FT1 I
6.1** T1 I
T4 I
TF1 I
TW1 I
TO1 I
TC1 I
TC3 I
TFC I
TFW I
en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BN, L4BH, L10BH, en L10CH toegestane stoffen
**Aan stoffen met een LC50   lager dan of gelijk aan 200 ml/m3 en een verzadigde dampconcentratie hoger dan of gelijk aan 500 LC50   moet deze tankcode L15CH worden toegekend
L21DH 4.2 S1 I
S3 I
SW I
ST3 I
en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BH, L4DH, L10BH en L10CH, L10DH en L15CH toegestane stoffen
VASTE STOFFEN:
SGAV 4.1 F1 III
F3 III
4.2 S2 II, III
S4 III
5.1 O2 II, III
8 C2 II, III
C4 III
C6 III
C8 III
C10 II, III
CT2 III
9 M7 III
M11 II, III
SGAN 4.1 F1 II
F3 II
FT1 II, III
FT2 II, III
FC1 II, III
FC2 II, III
4.2 S2 II
S4 II, III
  ST2 II, III
ST4 II, III
SC2 II, III
SC4 II, III
4.3 W2 II, III
WF2 II
WS II, III
WT2 II, III
WC2 II, III
5.1 O2 II, III
OT2 II, III
OC2 II, III
8 C2 II
C4 II
C6 II
8 C8 II
C10 II
CF2 II
CS2 II
CW2 II
CO2 II
CT2 II
9 M3 III
en de groepen van de voor tankcode SGAV toegestane stoffen
SGAH 6.1 T2 II, III
T3 II, III
T5 II, III
T7 II, III
T9 II
TF3 II
TS II
TW2 II
TO2 II
TC2 II
TC4 II
9 M1 II, III
en de groepen van de voor de tankcodes SGAV en SGAN toegestane stoffen
S4AH 6.2 I3 II
9 M2 II
en de groepen van de voor de tankcodes SGAV, SGAN en SGAH toegestane stoffen
S10AN 8 C2 I
C4 I
C6 I
C8 I
C10 I
CF2 I
CS2 I
CW2 I
CO2 I
CT2 I
en de groepen van de voor de tankcodes SGAV en SGAN toegestane stoffen
S10AH 6.1 T2 I
T3 I
T5 I
T7 I
TS I
TW2 I
TO2 I
TC2 I
TC4 I
en de groepen van de voor de tankcodes SGAV, SGAN, SGAH en S10AN toegestane stoffen

Tankhiërarchie
Tanks met tankcodes die afwijken van die welke zijn aangegeven in deze tabel of in tabel A van hoofdstuk 3.3, mogen ook gebruikt worden, onder voorwaarde dat elk element (getal of letter) van de delen 1 t/m 4 van deze tankcodes overeenkomt met een veiligheidsniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het overeenkomstige element van de tankcode die in tabel A van hoofdstuk 3.2 aangegeven is, overeenkomstig de hierna volgende opklimmende reeks:

Deel 1: Tanktype
S ─> L

Deel 2: Berekeningsdruk
G ----> 1,5 ----> 2,65 ----> 4 ----> 10 ----> 15 ----> 21 bar

Deel 3: Openingen
A ----> B ----> C ----> D

Deel 4: Veiligheidskleppen / -inrichtingen
V ----> F ----> N ----> H

Bijvoorbeeld:

  • Een tank met de tankcode L10CN is toegelaten voor het vervoer van een stof, waaraan tankcode L4BN is toegekend:
  • Een tank met de tankcode L4BN is toegelaten voor het vervoer van een stof, waaraan tankcode SGAN is toegekend.

Opmerking: In de hiërarchie wordt geen rekening met eventuele bijzondere bepalingen voor elke positie (zie 4.3.5 en 6.8.4).

 

4.3.4.1.3

De volgende stoffen en groepen van stoffen, waarbij in kolom (12) van tabel A in hoofdstuk 3.2 achter de tankcode een (+) weergegeven is, zijn onderworpen aan bijzondere bepalingen.

In dat geval is het afwisselend gebruik van de tanks voor andere stoffen en groepen van stoffen alleen toegestaan indien dit in het certificaat van typegoedkeuring gespecificeerd is.

Volgens de voorschriften na de tabel in 4.3.4.1.2 hoger gewaardeerde tanks mogen gebruikt worden, rekening houdend met de in kolom (13) van tabel A in hoofdstuk 3.2 aangegeven bijzondere bepalingen. De vereisten voor deze tanks volgen uit de onderstaande tankcodes, aangevuld door de desbetreffende bijzondere bepalingen die in hoofdstuk 3.2, tabel A, kolom (13) worden aangegeven.

Klasse  UN           Benaming en omschrijving Tankcode
1 0331 Springstof, type B S2.65AN
4.1 2448 Zwavel, gesmolten LGBV
3531 Polymeriserende stof, vast, gestabiliseerd, n.e.g. SGAN
3533 Polymeriserende stof, vast, met temperatuurbeheersing, n.e.g.
3532 Polymeriserende stof, vloeistof, gestabiliseerd, n.e.g. L4BN
3534 Polymeriserende stof, vloeistof, met temperatuurbeheersing, n.e.g.
4.2 1381 Fosfor, wit of geel, droog, onder water of in oplossing L10DH
2447 Fosfor, wit, gesmolten
4.3 1389 Amalgaam van alkalimetalen, vloeibaar L10BN
1391 Dispersie van aardalkalimetalen of dispersie van alkalimetalen
1392 Amalgaam van aardalkalimetalen, vloeibaar
1415 Lithium
  1420 Metallische legeringen van kalium, vloeibaar  
1421 Legering van alkalimetalen, vloeibaar, n.e.g.
1422 Legeringen van kalium en natrium, vloeibaar
1428 Natrium
2257 Kalium
3401 Amalgaan van alkalimetalen, vast
3402 Amalgaan van aardalkalimetalen, vast
3403 Metallische legeringen van kalium, vast
3404 Legeringen van kalium en natrium, vast
3482 Dispersie van alkalimetalen, brandbaar of dispersie van aardalkalimetalen, brandbaar
1407 Cesium L10CH
1423 Rubidium
1402 Calciumcarbide, verpakkingsgroep I S2.65AN
5.1 1873 Perchloorzuur, met meer dan 50 massa-%, doch ten hoogste 72 massa-% zuur L4DN
2015 Waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 70% waterstofperoxide L4DV
2014 Waterstofperoxide, oplossing in water met ten minste 20% doch ten hoogste 60% waterstofperoxide L4BV
2015 Waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 60% waterstofperoxide doch ten hoogste 70% waterstofperoxide
2426 Ammoniumnitraat, vloeibaar, warme geconcentreerde oplossing met een concentratie hoger dan 80%, maar ten hoogste 93%
3149 Waterstofperoxide en peroxyazijnzuur, mengsel, gestabiliseerd
3375 Ammoniumnitraat, emulsie, suspensie of gel, vloeibaar, tussenproduct voor de bereiding van springstoffen LGAV
3375 Ammoniumnitraat, emulsie, suspensie of gel, vast, tussenproduct voor de bereiding van springstoffen SGAV
5.2 3109 Organisch peroxide, type F, vloeibaar L4BN
3119 Organisch peroxide, type F, vloeibaar, met temperatuurbeheersing
3110 Organisch peroxide, type F, vast S4AN
3120 Organisch peroxide, type F, vast, met temperatuurbeheersing
6.1 1613 Cyaanwaterstof, oplossing in water L15DH
3294 Cyaanwaterstof, oplossing in alcohol
7a   Alle stoffen bijzondere tanks
Minimumeisen voor vloeistoffen L2.65CN
Minimumeisen voor vaste stoffen S2.65AN
z 1052 Fluorwaterstof, watervrij L21DH
1744 Broom of broom, oplossing
1790 Fluorwaterstofzuur, oplossing, met meer dan 85% fluorwaterstof
1791 Hypochloriet, oplossing L4BV
1908 Chloriet, oplossing
a Niettegenstaande de algemene voorschriften van deze paragraaf mogen tanks die voor radioactieve stof zijn gebruikt, ook voor het vervoer van andere goederen worden gebruikt, onder voorwaarde dat aan de voorschriften van 5.1.3.2 is voldaan.

 

4.3.4.1.4

Tanks, bestemd voor het vervoer van vloeibare afvalstoffen, die voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 6.10 en overeenkomstig 6.10.3.2 van twee sluitingen voorzien zijn, moeten worden toegewezen aan tankcode L4AH. Indien de betreffende tanks uitgerust zijn voor het afwisselend vervoer van vloeibare en vaste stoffen, moeten zij worden toegewezen aan de gecombineerde codes L4AH+S4AH.

 

4.3.4.2

Algemene voorschriften

4.3.4.2.1

Indien warme stoffen zijn geladen, mag de temperatuur van het buitenoppervlak van de tank of van de warmte-isolatie tijdens het vervoer 70 oC niet overschrijden.

 

4.3.4.2.2

De verbindingsleidingen tussen onafhankelijke, maar onderling verbonden tanks van een transporteenheid moeten tijdens het vervoer leeg zijn. Buigzame laad- en losleidingen die niet duurzaam met de tank zijn verbonden, moeten tijdens het vervoer leeg zijn.

 

 

 

4.3.4.2.3

Gereserveerd

4.3.5

Bijzondere bepalingen
Indien zij onder een positie in kolom (13) van tabel A in hoofdstuk 3.2 zijn aangegeven, zijn de volgende bijzondere bepalingen van toepassing:

TU-01

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-01

De tanks mogen slechts ten vervoer worden aangeboden nadat de stof volledig is gestold en bedekt met een inert gas. Lege, ongereinigde tanks die deze stoffen hebben bevat, moeten met een inert gas worden gevuld.

TU-02

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-02

De stof moet worden bedekt met een inert gas. Lege, ongereinigde tanks die deze stoffen hebben bevat, moeten met een inert gas worden gevuld.

 

TU-03

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-013

Het inwendige van het reservoir en alle delen die in aanraking kunnen komen met de stoffen, moeten schoon worden gehouden.

Voor de pompen, kleppen en andere inrichtingen mogen geen smeermiddelen worden gebruikt, die met de vervoerde stof gevaarlijke verbindingen kunnen vormen.

 

TU-04

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-04

Tijdens het vervoer moet zich boven deze stoffen een laag inert gas bevinden met een overdruk van ten minste 50 kPa (0,5 bar).

Lege ongereinigde tanks die deze stoffen hebben bevat, moeten bij de aanbieding ten vervoer gevuld zijn met een inert gas tot een overdruk van ten minste 50 kPa (0,5 bar). 

 

TU-05

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-05

Gereserveerd

 

TU-06

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-06

Niet voor vervoer in tanks, batterijwagens en MEGC's toegelaten indien de LC50 waarde lager is dan 200 ppm.

 

 

TU-07

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-07

De materialen die gebruikt worden voor de afdichting van de verbindingen of voor het onderhoud van de afsluitinrichtingen, moeten inert zijn ten opzichte van de inhoud.

 

 

TU-08

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-08

Voor het vervoer mogen geen tanks van aluminiumlegeringen worden gebruikt, tenzij deze tanks uitsluitend voor dit vervoer worden gebruikt en onder voorbehoud dat het aceetaldehyde zuurvrij is.

 

TU-09

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-09

UN 1203 benzine met een dampdruk bij 50 oC hoger dan 110 kPa (1,1 bar) maar niet hoger dan 150 kPa (1,5 bar) mag ook vervoerd worden in tanks, die berekend zijn volgens 6.8.2.1.14 a) en waarvan de uitrusting voldoet aan 6.8.2.2.6.

 

TU-10

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-10

Gereserveerd

 


TU-11

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-11

Bij het vullen mag de temperatuur van de geladen stof 60 oC niet overschrijden. Een maximale beladingstemperatuur van 80 oC is toegestaan, onder voorwaarde dat gloeihaarden worden vermeden en dat aan de volgende voorwaarden voldaan wordt.

Na het vullen moeten de tanks onder druk worden gezet (bijvoorbeeld met perslucht) om de dichtheid te controleren. Er moet worden gegarandeerd dat tijdens het vervoer de druk niet wegvalt.

Vóór het lossen moet worden gecontroleerd of de druk in de tanks nog steeds hoger is dan de atmosferische druk. Indien dit niet het geval is, moet vóór het lossen inert gas in de tanks worden ingeleid.

 

TU-12

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-12

Vóór en na het vervoer van deze stoffen moeten de reservoirs en hun uitrusting in geval van afwisselend gebruik zorgvuldig worden gereinigd van ladingresten.

 

 

TU-13

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-13

Tanks moeten bij het vullen vrij van verontreinigingen zijn. De bedrijfsuitrusting, zoals afsluiters en uitwendige pijpen, moet na het vullen of lossen van de tank worden geledigd.

 

TU-14

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-14

De beschermende kappen van sluitingen moeten tijdens het vervoer vergrendeld zijn.

TU-15

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-15

Tanks mogen niet worden gebruikt voor het vervoer van levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren.

 

TU-16

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-16

Lege ongereinigde tanks, wanneer zij ten vervoer worden aangeboden, moeten worden gevuld met een beschermingsmiddel aan de hand van onderstaande tabel.

Beschermingsmiddel   Vullingsgraad water Aanvullende voorschriften voor vervoer bij lage omgevingstemperaturen
StikstofA  
Water en stikstofA  
Water ten minste 96% en ten hoogste 98% Aan het water moet voldoende antivriesmiddel zijn toegevoegd om te voorkomen dat het bevriest. Het antivriesmiddel mag geen corrosieve werking bezitten en mag niet met de stof kunnen reageren.
A De tank moet zodanig met stikstof zijn gevuld dat de druk, zelfs na afkoeling, nooit lager wordt dan de atmosferische druk. De tank moet zodanig gesloten zijn dat geen gas kan ontsnappen.

 

TU-17

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-17

Alleen te vervoeren in batterijwagens of MEGC's, waarvan de elementen uit houders bestaan.

 

 

TU-18

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-18

De vullingsgraad moet beneden het niveau blijven waarbij, - indien de inhoud op de temperatuur gebracht wordt, waarbij de dampdruk gelijk is aan de openingsdruk van de veiligheidskleppen , het volume van de vloeistoffase de waarde van 95% van de inhoud van de tank bij deze temperatuur zou bereiken. De bepaling in 4.3.2.3.4 is niet van toepassing

 

TU-19

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-19

Tanks mogen bij de vultemperatuur en bij de vuldruk tot 98% van de inhoud worden gevuld. De bepaling in 4.3.2.3.4 is niet van toepassing.

 

TU-20

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-20

Gereserveerd

 


TU-21

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-21

De stof moet worden beschermd met een beschermingsmiddel aan de hand van onderstaande tabel.

Beschermings- middel Een laag water in de tank

Vullingsgraad stof (incl. evt. water) bij temperatuur van
60 °C is ten hoogste

 

Aanvullende voorschriften voor vervoer bij lage omgevingstemperaturen
StikstofA 96%
Water en stikstofA 98% Aan het water moet voldoende antivriesmiddel zijn toegevoegd om te voorkomen dat het bevriest. Het antivriesmiddel mag geen corrosieve werking bezitten en
mag niet met de stof kunnen reageren.
Water ten minste 12 cm 98%
 A De vrij blijvende ruimte van de tank moet zodanig met stikstof zijn gevuld dat de druk, zelfs na afkoeling, nooit lager wordt dan de atmosferische druk. De tank moet zodanig gesloten zijn dat geen gas kan ontsnappen.

 

TU-22

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-22

De vullingsgraad van tanks mag niet meer bedragen dan 90%; voor vloeistoffen moet bij een gemiddelde temperatuur van de vloeistof van 50 oC nog een ledige ruimte van 5% van de vulling aanwezig zijn.

 

TU-23

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-23

De vullingsgraad mag per liter inhoud niet meer bedragen dan 0,93 kg, indien op grond van massa wordt gevuld. Indien op volume wordt gevuld, mag de vullingsgraad 85% niet overschrijden.

 

TU-24

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-24

De vullingsgraad mag per liter inhoud niet meer bedragen dan 0,95 kg, indien op grond van massa wordt gevuld. Indien op volume wordt gevuld, mag de vullingsgraad 85% niet overschrijden.

 

TU-25

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-25

De vullingsgraad mag per liter inhoud niet meer bedragen dan 1,14 kg, indien op grond van massa wordt gevuld. Indien op volume wordt gevuld, mag de vullingsgraad 85% niet over- schrijden.

 

TU-26

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-26

De vullingsgraad mag 85% niet overschrijden.

 

TU-27

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-27

Tanks mogen tot ten hoogste 98% van hun inhoud zijn gevuld. 

 

TU-28

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-28

Tanks mogen, uitgaande van een referentietemperatuur van 15 oC, slechts tot 95% van hun inhoud worden gevuld.

 

TU-29

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-29

Tanks mogen slechts tot 97% van hun inhoud worden gevuld en de hoogste temperatuur na het vullen mag niet meer dan 140 oC bedragen.

 

TU-30

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-30

Tanks moeten worden gevuld overeenkomstig de voorwaarden, vastgelegd in het rapport van onderzoek voor de typegoedkeuring van de tank, echter tot ten hoogste 90% van de inhoud.

 


TU-31

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-31

Tanks mogen slechts worden gevuld tot 1 kg per liter inhoud.

 

TU-32

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-32

Tanks mogen slechts tot ten hoogste 88 % van hun inhoud zijn gevuld.

 

TU-33

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-33

Tanks mogen slechts tot ten minste 88 % en ten hoogste 92 %, of tot 2,86 kg per liter inhoud zijn gevuld.

 

TU-34

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-34

Tanks mogen slechts tot ten hoogste 0,84 kg per liter inhoud zijn gevuld.

 

TU-35

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-35

Ongereinigde, lege vaste tanks (tankwagens), lege afneembare tanks en lege tankcontainers, die deze stoffen hebben bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR indien geschikte maatregelen zijn genomen om mogelijke gevaren uit te sluiten. 

 

TU-36

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-36

De vullingsgraad volgens 4.3.2.2, uitgaande van een referentietemperatuur van 15 oC, mag niet meer bedragen dan 93% van de inhoud. 

 

TU-37

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-37

Het vervoer in tanks is beperkt tot stoffen die ziekteverwekkers bevatten zonder dat sprake is van een ernstig gevaar en waartegen, hoewel deze bij mensen of dieren na blootstelling een ernstige infectie kan veroorzaken, in het algemeen een effectieve behandeling en profylaxe bestaat, zodat het risico van verspreiding van de infectie beperkt is (d.w.z. matig individueel risico en beperkt collectief risico).

 

TU-38

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-38

Gereserveerd

 

TU-39

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-39

De geschiktheid van de stof voor vervoer in tanks moet worden aangetoond. De methode om deze geschiktheid te beoordelen moet door de bevoegde autoriteit worden goedgekeurd. Eén methode is beproeving 8 (d) in testreeks 8 (zie het Handboek beproevingen en criteria, deel 1, subsectie 18.7).

Stoffen mogen niet zodanig lang in de tank blijven dat stolling het gevolg kan zijn. Geschikte maatregelen moeten worden genomen om opeenhoping en afzetting van stoffen in de tank te vermijden (bijv. reiniging, enz.).

 

TU-40

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-40

Mag alleen worden vervoerd in batterijwagens of MEGC's waarvan de elementen uit naadloze houders bestaan.

 


TU-41

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-41

De geschiktheid van de stof voor vervoer in tanks moet naar tevredenheid van de bevoegde autoriteit van elk land waardoor of waarheen het vervoer plaatsvindt worden aangetoond.

De methode voor het beoordelen van deze geschiktheid moet worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR, die tevens kan overgaan tot erkenning van een goedkeuring verleend door de bevoegde autoriteit van een land dat geen Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR is, mits bedoelde goedkeuring is verleend in overeenstemming met de procedures die volgens het ADR, het RID, het ADN of de IMDG Code van toepassing zijn.

Stoffen mogen niet zodanig lang in de tank blijven dat stolling het gevolg kan zijn. Er moeten passende maatregelen worden genomen om opeenhoping en afzetting van stoffen in de tank te vermijden (bijv. reiniging, enz.). 

 

TU-42

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-42

Tanks met een reservoir van een aluminiumlegering, met inbegrip van diegene met beschermende bekleding, mogen alleen worden gebruikt als de pH-waarde van de stof niet lager is dan 5,0 en niet hoger dan 8,0.

 

TU-43

4.3.5 - Bijzondere bepaling TU-43

Een lege ongereinigde tank mag ten vervoer worden aangeboden binnen een termijn van ten hoogste 3 maanden na het verstrijken van de termijn vastgesteld voor de laatste inspectie van de bekleding ten behoeve van de volgende inspectie, voorafgaand aan het opnieuw vullen (zie bijzondere bepaling TT 2 in 6.8.4 d)).

 

GEVSTOF LOGO NEW

OVER   

Over Gevaarlijkestoffen.NET

Telefoon : +31 (0)850 470486

Mobiel : +31 (0)6 46855372
KvK Rotterdam : 24491885

BLIJF OP DE HOOGTE  
En schrijf je in voor onze nieuwsbrief