ADR Digitaal

Deel 4 - Hoofdstuk 4.5

GEBRUIK VAN DRUK/VACUÜMTANKS (VOOR AFVALSTOFFEN)

Opmerking: Voor transporttanks en UN-gascontainers met verscheidene elementen (MEGC’s) zie hoofdstuk 4.2; voor vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks, tankcontainers en wissellaadtanks met metalen reservoirs en batterijwagens en gascontainers met verscheidene elementen (MEGC’s), met uitzondering van UN-MEGC’s, zie hoofdstuk 4.3; voor tanks van vezelgewapende kunststof, zie hoofdstuk 4.4.

 

4.5.1

Gebruik

4.5.1.1

Afvalstoffen bestaande uit stoffen in de klassen 3, 4.1, 5.1, 6.1, 6.2, 8 en 9 mogen worden vervoerd in druk/vacuümtanks (voor afvalstoffen) volgens hoofdstuk 6.10, indien het vervoer daarvan wordt toegestaan in vaste tanks, afneembare tanks, tankcontainers of wissellaadtanks volgens hoofdstuk 4.3.

Afvalstoffen bestaande uit stoffen waaraan tankcode L4BH in kolom (12) van tabel A van hoofdstuk 3.2 of een andere op grond van de hiërarchie in 4.3.4.1.2 toegestane tankcode is toegewezen, mogen worden vervoerd in druk/vacuümtanks (voor afvalstoffen) met de letter “A” of “B” in deel 3 van de tankcode, zoals aangegeven onder punt 9.5 van het certificaat van goedkeuring voor het voertuig conform met 9.1.3.5.

 

4.5.1.2

Stoffen die geen afvalstoffen zijn mogen worden vervoerd in druk/vacuümtanks (voor afvalstoffen) onder dezelfde voorwaarden als die welke in 4.5.1.1 worden genoemd.

 

4.5.2

Bedrijf

4.5.2.1

De voorschriften van hoofdstuk 4.3, met uitzondering van 4.3.2.2.4 en 4.3.2.3.3, zijn van toepassing op het vervoer in druk/vacuümtanks (voor afvalstoffen) en worden aangevuld met de voorschriften van 4.5.2.2 t/m 4.5.2.6 hieronder.

 

4.5.2.2

Voor het vervoer van vloeistoffen die voldoen aan de vlampuntcriteria van klasse 3 moeten druk/vacuümtanks (voor afvalstoffen) worden gevuld door middel van vulinrichtingen die zorgen voor uitstroming in het onderste gedeelte van de tank.

Er moeten maatregelen worden getroffen om het veroorzaken van een nevel tot een minimum te beperken.

 

4.5.2.3

Bij het lossen door middel van luchtdruk van brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 23 oC is de maximaal toegestane druk 100 kPa (1 bar).

 

4.5.2.4

Het gebruik van tanks voorzien van een inwendige zuiger, die dienst doet als een wand van een compartiment, is alleen toegestaan indien de stoffen aan beide zijden van de wand (zuiger) niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren (zie 4.3.2.3.6).

4.5.2.5

Gereserveerd

 

4.5.2.6

Wanneer een vacuümpomp/afzuigeenheid die als ontstekingsbron kan dienen wordt gebruikt voor het laden of lossen van brandbare vloeistoffen, moeten voorzorgsmaatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de stof tot ontbranding komt of dat het effect van de ontbranding zich buiten de tank zelf voortplant.

 

GEVSTOF LOGO NEW

OVER   

Over Gevaarlijkestoffen.NET

Telefoon : +31 (0)850 470486

Mobiel : +31 (0)6 46855372
KvK Rotterdam : 24491885

BLIJF OP DE HOOGTE  
En schrijf je in voor onze nieuwsbrief